Reactie plaatsen 
Keizer Wilhelm II
22-08-2012, 17:47
Bericht: #1
Keizer Wilhelm II
Frederik Wilhelm Victor Albert (Potsdam, 27 januari 1859 - Doorn (Nederland), 4 juni 1941), uit het Huis Hohenzollern, was van 1888 tot 1918 de laatste koning van Pruisen en de derde en laatste keizer van het Duitse Keizerrijk. Hij geldt als één van de grote gangmakers en als de grote verliezer van de Eerste Wereldoorlog.

[Afbeelding: wilhelmiiofgermany.jpg]

Familie

Wilhelm werd geboren als oudste zoon van de latere keizer Frederik III en diens gemalin Victoria van Saksen-Coburg-Gotha, dochter van de Britse koningin Victoria. Als zodanig was hij een kleinzoon van keizer Wilhelm I, oomzegger van Eduard VII en een neef van George V. Hij was tevens een neef van de tsarina Alexandra Fjodorovna (de vrouw van Nicolaas II). Alexandra was een dochter van de Britse prinses Alice en daarmee een kleindochter van koningin Victoria.

Jeugd

Doordat Wilhelm door middel van een tangverlossing ter wereld kwam als gevolg van een stuitligging en daarbij zenuwen in zijn schouder werden beschadigd, was hij zijn leven lang licht gehandicapt: zijn linkerarm was zo goed als verlamd en bleef in groei achter ten opzichte van zijn rechterarm, een zogenaamde Erbse parese. Op de foto rechts tracht hij zijn kleine arm te verbergen door hem vast te houden. Zijn Engelse familie sprak altijd van "Willy's withered arm".

Hij werd in zijn jeugd gekweld door een minderwaardigheidscomplex. Zijn moeder beschouwde zijn handicap als walgelijk en schandelijk en verkeerde tevens in de overtuiging dat hij ook geestelijk niet helemaal in orde zou zijn. Ze onderwierp de kleine Wilhelm aan een keihard regime van fysieke en intellectuele oefeningen. Ondanks zijn handicap moest hij aan alle activiteiten meedoen en kreeg hij, naast onderworpen te worden aan harde massages en allerlei andere vormen van 19e-eeuwse kwakzalverij, ook elektroshocktherapie. Desondanks ging hij goed vooruit. Volgens onder meer George V was hij ondanks zijn handicap een opvallend goede schutter - zij het met een aangepast jachtgeweer.

Karakter en persoonlijk leven

Wilhelm stond ambivalent tegenover het Britse koningshuis. Hij hield zielsveel van zijn grootmoeder Victoria, maar had een grote hekel aan zijn oom Eduard VII. Hij had een mateloze bewondering voor de kracht en macht van het Britse Rijk, maar tevens werd hij verteerd door jaloezie jegens dit wereldrijk. Dit kwam later tot uiting in zijn overspannen vlootpolitiek: Duitsland moest in de toekomst de Britten als zeemacht naar de kroon kunnen steken. Dat dit onvermijdelijk tot politieke spanningen moest leiden ontging hem blijkbaar of waarschijnlijker: het interesseerde hem niet.

Wilhelm was verlegen, gevoelig en intelligent maar verborg zijn onzekerheid achter een façade van meedogenloosheid, oorlogszuchtigheid en arrogantie. Recente onderzoeken [bron?]beweren dat zijn stemmingswisselingen, agressie en botheid ook een gevolg van hersenletsel, ontstaan door zuurstofgebrek bij zijn moeizame geboorte, zouden kunnen zijn geweest.

In een boek van Catrine Clay uit 2010 " de koning de keizer en de tsaar" wordt gezegd dat dit ook te wijten kan zijn aan de onderdrukte homoseksualiteit van de prins. Tussen 1907 en 1909 kwam de Harden-Eulenburgaffaire aan het licht. Een reeks van militaire en burgerlijke rechtszaken over homoseksueel gedrag ten overstaan van prominente leden van het kabinet en de entourage van keizer Wilhelm II. Philip van Eulenburg, een van de belangrijkste verdachten in deze processen was de beste vriend van Wilhelm II. Zij maakten deel uit van een genootschap, waarnaar later werd gerefereerd als de Liebenberger Kreis. Dit waren hogere heren uit de Duitse adellijke kringen, waarvan vandaag de dag als bewezen geldt dat de meesten homoseksueel waren. Ook keizer Wilhelm II, toen nog prins maakte van deze kring deel uit. Vaak was Wilhelm te vinden op het kasteel van Philip van Eulenburg, waar hij de rust en liefde vond die hij tijdens zijn opvoeding had gemist. Na de Harden-Eulenburgaffaire was Wilhelm politiek beschadigd en moest mede daarom zijn vriend laten vallen. Daarna nam als beste vriend van de prins Maximilian Egon II van Fürstenberg (vorstengeslacht) de vriendschap over.

Op 27 februari 1881 trad hij in het huwelijk met prinses Augusta Victoria van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Augustenburg (1858-1921). Hoewel dit aanvankelijk een politiek huwelijk was - Sleeswijk-Holstein was pas sinds 1866 na oorlogen met Denemarken en Oostenrijk deel van het koninkrijk Pruisen en moest dus sterker aan de kroon gebonden worden - werd het snel gekenmerkt door wederzijds respect en genegenheid van beide echtelieden. Ondanks dit huwelijk deden er echter ook nog altijd roddels de ronde over Wilhelms appreciatie van het eigen geslacht, met name betreffende zijn vriend Philipp zu Eulenburg. Dit kan ook anti-propaganda van tegenstanders zijn geweest want directe bewijzen voor deze aantijgingen zijn nooit geleverd.

Wilhelm was een militarist pur sang en had daarmee ook een grote voorliefde voor uiterlijk militair vertoon. Hij had vooral een grote passie voor uniformen. Hij had verschillende kleermakers in vaste dienst en een speciaal uniform voor elke denkbare gelegenheid. Hij zou zelfs speciaal zijn admiraalsuniform hebben aangetrokken wanneer hij naar de opera Der fliegende Holländer ging. Het verhaal dat hij dit ook aantrok als hij naar het aquarium van de Berliner Zoo ging, is apocrief. Hij hengelde actief naar erekolonelschappen in buitenlandse regimenten om daarmee ook de bijbehorende Engelse, Oostenrijkse, Spaanse, Russische en andere uniformen te verwerven.



Een andere liefhebberij van Wilhelm was de drijfjacht en dan met name van het uit hun lijden verlossen van aangeschoten wilde zwijnen met een speciale speer, de Saufeder. Hij genoot van het applaus dat daarop volgde, hoewel één van zijn hovelingen deze activiteiten eens een "walgelijk en ontaard schouwspel" noemde. Tevens was hij dol op zeilen, had hij een heel aardige bariton en componeerde hij zelfs een - door de critici matig ontvangen - opera, Der Sang an Aegidia.

Wilhelm kon niet tegen zijn verlies en zijn Generale Staf was er dan ook alles aan gelegen de opperbevelhebber te laten winnen bij de jaarlijkse Kaisermanöver. Het verhaal wil dat hij er een kinderlijk plezier in had de stenen aan de ringen om zijn vingers naar binnen te dragen zodat hij anderen bij het handen schudden kon bezeren. Zeker is dat hij in zijn rechterarm zo sterk was dat hij bezoekers bij het handenschudden de tranen in de ogen kon laten springen: dit was zijn manier om iemands karakter op voorhand te testen.

Regeringsstijl

Bij de dood van Wilhelm I op 9 maart 1888 werd Wilhelms vader keizer als Frederik III. Frederik had echter keelkanker en stierf in juni van datzelfde jaar, zodat Wilhelm als Wilhelm II de troon besteeg. Wilhelm had de dood van zijn vader al zien aankomen en had diens hele regeringsperiode van 99 dagen besteed aan het voorbereiden van zijn eigen keizerschap.

Een werkelijke constitutionele monarchie (zoals in Groot-Brittannië en Nederland) was Duitsland niet: de rijkskanselier was geen verantwoording schuldig aan de Rijksdag doch slechts aan de Keizer zelf en deze had het recht de rijkskanselier naar believen te ontslaan. Nog geen twee jaar na zijn kroning ontsloeg hij Otto von Bismarck en verving hem door graaf Leo von Caprivi. In Wilhelms regeringsperiode zouden er nog zes kanseliers zijn. Geen van dezen was van huis uit politicus; Wilhelm wilde de opkomst van een nieuwe sterke man als Bismarck voorkomen om zo zelf de handen vrij te hebben.

Wilhelm stond elke dag om zes uur op om de staatszaken door te nemen, maar gooide officiële documenten en brieven vaak in de prullenbak. Andere zaken las hij vluchtig en voorzag hij van commentaar dat meestal van weinig competentie getuigde. Hij bemoeide zich weliswaar intensief met de staatszaken maar dit deed het land geen goed: zijn beleid was volstrekt inconsequent en er leek geen persoonlijke filosofie achter te zitten. De keizer schold en tierde over zaken die hem niet bevielen en gedroeg zich in internationale kwesties uitermate tactloos - hij vergeleek in zijn beruchte Hunnenrede het Duitse expeditieleger dat in 1900 werd uitgezonden om mee te helpen de Bokseropstand in China neer te slaan met de horden van Attila de Hun. Hiermee muntte hij de benaming die Duitslands vijanden in twee wereldoorlogen zouden gebruiken voor de Duitsers: huns. Hij haalde zich de woede van zijn grootmoeder, koningin Victoria, op de hals door - tijdens de Boerenoorlog, de kant van de Boeren te kiezen.

Wel stichtte hij in 1911 het Kaiser-Wilhelm-Institut ter bevordering van de wetenschap wat velen een goede zaak vonden. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg dit instituut de naam Max-Planck-Institut.

Keizer Wilhelm droomde bovenal van een eigen Duits koloniaal rijk en een bijbehorende grote zeemacht dat de vergelijking met dat van Groot-Brittannië kon doorstaan. Hij trachtte daarom de Duitse marine en koloniale bezittingen uit te breiden. Door zijn weinig subtiele diplomatie joeg hij de Britten in de gordijnen en deze zochten naarstig naar bondgenoten. Ze sloten zelfs een verbond met hun traditionele tegenstander Frankrijk. Door het steeds grotere hoogten bereikende nationalisme en toenemende wantrouwen tegen de Duitsers, onder andere aangewakkerd door de agressieve uitlatingen van keizer Wilhelm, begon in Europa een ware wapenwedloop tussen Frankrijk, Engeland en Duitsland.

[Afbeelding: wilhelmfamiliebundesarc.jpg]

Eerste Wereldoorlog

Ondanks Wilhelms houding is het moeilijk te zeggen dat hij de Eerste Wereldoorlog heeft opgezocht, hoewel hij ook weinig deed om deze te voorkomen. Duitsland was een alliantie aangegaan met Oostenrijk-Hongarije en Italië (de Triple Alliantie, 1882) en Wilhelm moedigde het harde beleid van Wenen op de Balkan aan. Wilhelm zag wel in, na de moord op aartshertog Frans Ferdinand in Sarajevo op 28 juni 1914, dat er een oorlog dreigde aan te komen en begon een koortsachtige briefwisseling met zijn neef de Tsaar van Rusland (Lieber Nicky! – Lieber Willy!) om het gevaar te bezweren. Maar tegelijkertijd gaf hij de Oostenrijkers te kennen bij monde van zijn kabinetschef dat ze op de onvoorwaardelijke steun van Berlijn konden rekenen. Ook gaf hij de legerstaf toestemming om de door hen aanbevolen voorbereiding voor het Schlieffenplan te beginnen. Tijdens zijn zeilvakantie in Noorwegen in de weken die volgden escaleerde de Balkan-crisis tot een Europese oorlog waarbij Duitsland zich geconfronteerd zag met vijanden aan zowel de oost- als de westgrenzen.

Tijdens de oorlog was hij opperbevelhebber (Oberster Kriegsherr) maar verloor al snel de controle over zijn land en zijn laatste restje populariteit onder de bevolking. Die was trouwens toch al nooit erg groot geweest. Ook al waren de Pruisen traditioneel trouw aan het koningshuis, men zag al snel na des keizers aantreden het contrast van de blunderende en hooghartige Wilhelm met de gründliche en intelligente Bismarck die in feite het Keizerrijk gegrondvest had. Na enkele van weinig competentie getuigende Dienstbefehle aan zijn commandanten 'bevrijdde' de Pruisische legertop Wilhelm in 1916 van zijn verantwoordelijkheden, wat vrijwel geruisloos ging, en werd Duitsland vanaf toen feitelijk door een militaire junta bestuurd, bestaande uit Erich Ludendorff, Paul von Hindenburg en andere hoofdzakelijk Pruisische opperbevelhebbers. De keizer had nog maar weinig in te brengen hoewel hij zelf meende nog altijd te regeren.

Toen de oorlog op zijn einde liep en de Duitse nederlaag duidelijk in zicht kwam, smeekte kanselier prins Max van Baden Wilhelm troonsafstand te doen om tenminste de monarchie te redden. De Duitse bevolking was de altijd al impopulaire keizer beu en hield hem in hoofdzaak verantwoordelijk voor de steeds slechtere thuissituatie. De geallieerde blokkade van Duitsland begon op het eind van de oorlog duidelijk effect te sorteren: aan alle dagelijkse levensbehoeften, en als eerste voedsel, begon ernstig gebrek te komen. Er dreigde een volksopstand of zelfs revolutie naar het voorbeeld van wat er in Rusland gebeurd was waar de Bolsjewieken van Lenin het tsarenrijk van de Romanovs ten val hadden gebracht en de Sovjet-Unie hadden opgericht. De sociaaldemocraten wilden deze dreiging voor zijn en van Duitsland een échte constitutionele monarchie maken voor het te laat was, bij voorkeur onder een kleinzoon van de keizer (Wilhelms oudste zoon, kroonprins Wilhelm, was al even weinig geliefd als zijn vader). Wilhelm weigerde echter pertinent om af te treden en bezegelde hiermee dan ook het lot van de monarchie. In het najaar van 1918 brak de gevreesde opstand uit: de Novemberrevolutie.

Aftreden en ballingschap

In de Novemberrevolutie kondigde prins Max op 9 november 1918 het aftreden van de keizer aan. Ook had de Generale Staf bij monde van generaal Wilhelm Groener al aangegeven dat het Duitse leger de strijd niet meer kon volhouden en dat de keizer ook niet meer op de gehoorzaamheid van het leger hoefde te rekenen. Wilhelm zag eindelijk in dat zijn positie hopeloos was geworden (de geallieerden wilden hem zelfs arresteren als oorlogsmisdadiger) en koos tenslotte eieren voor zijn geld. Suggesties om zich dood te vechten wees hij van de hand als onverenigbaar met zijn positie als hoofd van de Duitse Lutheraanse Kerk. Hij ging in ballingschap in het neutrale Nederland. Hij liet korte tijd later 'enkele kleinoden' naar Nederland overkomen, persoonlijke bezittingen uit verschillende van zijn Duitse paleizen: genoeg voor 59 wagonladingen.

[Afbeelding: wilhelmiibundesarchivbi.jpg]

Tot 1920 woonde hij in Kasteel Amerongen, daarna tot zijn dood in Huis Doorn (beide in de provincie Utrecht). De Nederlandse regering weigerde hem uit te leveren aan de geallieerden en hield vast aan haar neutraliteitspolitiek. De geallieerden waren te oorlogsmoe om een conflict hierover op de spits te drijven. Overigens wilde koningin Wilhelmina niets met de ex-keizer te maken hebben, en heeft hem (zover bekend) nooit bezocht in zijn ballingsoord. Haar echtgenoot prins Hendrik en dochter Juliana en haar echtgenoot prins Bernard bezochten hem wel enige malen. Dit waren geen officiële ontvangsten door Wilhelm maar 'familiebezoeken': de Oranjes en Hohenzollerns zijn inderdaad aan elkaar verwant, en ook het huis Mecklenburg-Schwerin van prins Hendrik was aan Wilhelms familie verwant.

De ex-keizer hield zich voortaan vrijwel dagelijks bezig met houthakken waarbij hij persoonlijk de bijl en zaag hanteerde. Dit deed hij op een dusdanige schaal dat na verscheidene jaren het oorspronkelijk bosrijke landgoed van Huis Doorn grotendeels ontbost was en op de kapotgeschoten slagvelden uit de oorlog begon te lijken. Met trots liet Wilhelm steeds aan bezoekers zien hoeveel bomen hij per dag kon 'verwerken'. Hoewel de meningen over Wilhelms hobby verdeeld waren behield hij door de dagelijkse lichamelijke inspanning wel tot op hoge leeftijd een goede lichamelijke conditie. Verder besteedde Wilhelm veel tijd aan het schrijven van zijn memoires. Zijn inkomsten bestonden uit de opbrengsten van verscheidene landgoederen in Duitsland en een aardewerkfabriek in Cadinen (nu Kadyny onderdeel van de gemeente Tolkmicko in Polen) die in zijn bezit waren gebleven - verder bleek Wilhelm II de gelden die tot zijn beschikking stonden handig te kunnen beleggen. Na de dood van Augusta Victoria hertrouwde hij in 1922 met de weduwe prinses Hermine von Schönaich-Carolath, geboren prinses Reuss oudere linie.

In de jaren 30 had Wilhelm kortstondig de hoop dat de nazi's de monarchie zouden herstellen. Al snel zag hij in dat zij de in 1933 verworven macht niet zouden afstaan en zeker niet aan een schim uit het verleden. In 1934 verbood Adolf Hitler verder alle monarchistische verenigingen en partijen in Duitsland (evenals alle andere partijen die hij als eventuele concurrenten voor de macht beschouwde) zodat ook voor Wilhelm de laatste hoop voor een herstel van de monarchie voorbij was. Toen de Duitse legers Nederland binnenvielen, weigerde hij op het aanbod van de Engelsen in te gaan om bij hen asiel aan te vragen zoals veel regeringen van door de nazi's bezette landen deden. Hij wilde niet nogmaals "weglopen". Daarbij, zo zou hij gezegd hebben, was hij te zeer aan Doorn gehecht geraakt. Hoewel Wilhelm minachtend neerkeek op de nazi's en hun ideologie, zond hij in 1940 wel een gelukstelegram naar Adolf Hitler in verband met diens zege in Frankrijk. Dit gebaar was meer een initiatief van Hermine, die het nazisme meer was toegedaan, en Wilhelm zag hierin een mogelijkheid de Führer gunstig te stemmen inzake de positie van de adel die in het Derde Rijk steeds meer in het gedrang kwam. De nazi's steunden hem echter nog steeds niet. Op bevel van Berlijn werd het landgoed in Doorn afgegrendeld van de buitenwereld door de Geheime Feldpolizei en de oude keizer werd een gevangene van zijn eigen landgenoten.

Overlijden

Hij stierf op 4 juni 1941 in Doorn aan een longembolie - de Duitse bezetters stonden op wacht voor de poorten. Zijn wens om op zijn begrafenis geen hakenkruisen te tonen werd niet ingewilligd. Hitler liet een reusachtige krans bezorgen: de rouwlinten daaraan waren wel degelijk met dit nazi-symbool getooid. Onder de paar honderd aanwezigen was ook een Nederlandse fotograaf die ondanks de strenge beveiliging een fotoreportage wist te maken.

Hij werd in eerste instantie bijgezet in de kapel op het landgoed, een jaar later in een door hemzelf ontworpen mausoleum in Doorn. Zijn gebalsemde lichaam rust hier nog steeds (2011), maar zal overeenkomstig zijn eigen wens overgebracht worden naar Duitsland - op voorwaarde dat dit weer een monarchie is.

[Afbeelding: wilhelmmausoleum.jpg]

In de jaren twintig was er nog een vrij grote monarchistische beweging die het koningshuis in ere wilde herstellen, maar deze werd geleidelijk steeds kleiner. Er is tegenwoordig nog steeds een monarchistische beweging in Duitsland, maar heden bijna uitsluitend nog gesteund door de oude Duitse adel. Nu is dit nu nog maar een zeer kleine splintergroep van het Duitse politieke spectrum. Het ziet er dus vooralsnog niet naar uit dat Wilhelms laatste wens vervuld zal worden.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:48
Bericht: #2
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Hans Andriessen :

Met belangstelling las ik bovenstaand artikel over keizer Wilhelm II, een interesant artikel dat de gangbare mening van veel, zeer veel historici en Wilhelm kenners weergeeft.

Helaas kan ik het met de inhoud niet echt eens zijn. Ik denk dat met name de jarenlange geallieerde propaganda waarin de keizer werd gedemoniseerd, de hoofdschuldige is aan de merkwaardig visie die over hem ontstaan is.

Veroorloof mij derhalve te proberen met een wat meer genuanceerde mening over WEilhelm II te komen. Uiteraard sta ik open voor discussie.


De beweerde krankzinningheid van Wilhelm en zijn onmogelijke karakter.

In 1903 sprak de Duitse Rijkskanselier, von Bülow, de Rijksdag toe over de verhouding tussen keizer Wilhelm II en het Duitse volk, waarbij hij vaststelde:” ‘Het Duitse volk wenst geen schaduw als keizer, het Duitse volk wenst een keizer van vlees en bloed’!

In een recensie over het boek ‘The Kaiser and his Court, Wilhelm ll and the Government of Germany’ van de historicus John Rohl, stelde de recencent dr.Alan Sked. LSE, dan droogjes vast;

‘well, the one they got was probably mad!

en hij ging verder, zich baserend op Röhls veelgeprezen boek;

‘Certainly, he always remained immature, with one courtier complaining in 1908: ‘he is a child and will always remain one’. He was also an egomaniac with a complete over-estimation of his own abilities which he loved to talk about. Unfortunately these did not include a sense of reality, for he saw things only as he wished. Thus the French and English were once described in a racial diatribe as ‘not whites at all but blacks’ while Jezus of Nazareth, he claimed, had never been a Jew’. Nor did he have any sense of proportion of moderation, always calling for revenge on enemies who had to die or be punishe since he hated all sorts of groups and classes, not to mention individuals such as his parents. His sense of humour included hitting, beating, stabbing or humiliating colleagues and servants. As far as his sex life was concerned , he had innumerable affairs with prostitutes before ascending the throne in 1888, after which time he became more interested in men, particularly soldiers. Whether he was an active homosexual is open to dispute- although Harden believed he had hard evidence.What is not open to dispute is that through his close friend Eulenburg and his circle, he did mix mainly with homosexuals. Indeed Roghl comments; ít is indeed disturbing to reflect that the generals who took Germany and Europe into the Armageddon of 1914, not infrequently owed their career to the Kaiser’s admiration for their height and good looks in their splendid uniforms’. (january 1988)

Bij het lezen van dit soort geschriften wrijft men de ogen uit! Hier wordt toch wel even wat beweerd en op een wijze die elke discussie al bij voorbaat uitsluit.

De meningen over Wilhelm ll worden, ook nog in onze tijd, (Röhl’s boek bijvoorbeeld, waarover deze recensie handelt, verscheen in 1966 en hij ontving er de Wolfson History Prize voor) nog steeds op zwart-wit niveau, ongenuanceerd en soms zelfs op uitermate onhistorische wijze ten tonele gevoerd. Zin en onzin worden kwistig en met losse hand over de lezer uitgestrooid. Geen enkele twijfel, de keizer kan zich niet meer verdedigen, alles maar dan ook letterlijk alles wordt aangevoerd om het eigen standpunt te laten prevaleren. Men kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de Röhl geen hoge dunk heeft van het intellectuele niveau van zijn lezers. Toch, het moet helaas worden vastgesteld, Röhl is zeker niet de enige auteur die zich bij de beschouwing van het leven en de regeringsperiode van Wilhelm ll heeft laten leiden door een uitermate eenzijdige interpretatie van de feiten. Het begrip ‘relativeren’, toch noodzakelijk om tot een zo objectief mogelijke geschiedschrijving te komen, komt in zijn- en in het woordenboek van vele andere historici, niet voor en men schrijft elkaar vaak ook nog naar hartelust na. De schandschriften over de laatste Duitse keizer, vinden ook vandaag nog in grote getale hun weg naar kennelijk op sensatie beluste en goedgelovige lezers. Het lijkt er op dat de stelling;

‘The point about myths is not that they're false but that irrespective of whether they're true, someone wants (you) to believe them’.

ook vandaag de dag nog niets aan kracht heeft ingeboet.

In dit artikel wil ik toch een poging wagen om de hiervoor genoemde interpretatie nog eens met een kritisch oog te bekijken en een wat andere, mogelijk zelfs wat gebalanceerdere, visie over de figuur van Wilhelm neer te zetten. Om te beginnen zal ik enkele vaak beschreven beweerde ‘abnormaliteiten’ van de keizer eens wat nader onder de loep nemen.


Wilhelm homosexueel of rokkenjager?
De seksuele geaardheid van Wilhelm is natuurlijk in de over hem geschreven literatuur een dankbaar onderwerp van voortdurende discussie en geruchtenvorming.
Thyler Whittle, overigens een der weinige historici die getracht heeft een redelijk en objectief beeld van Wilhelm te geven, verwees in zijn boek ‘The Last Kaiser’ naar de auteur Pound die suggereerde dat Wilhelm biseksueel moet zijn geweest. Pound baseerde dat op geruchten die in Berlijn de ronde zouden hebben gedaan en hij was van mening dat het duidelijk was dat Wilhelm het gezelschap van mannen boven dat van vrouwen zou hebben verkozen. Tenslotte merkte hij op dat ‘de duidelijk geprononceerde curven van Wilhelms heupen’ duidden op een ‘androgynous element in his physique’

Röhl, die eerder had verklaard dat Wilhelm duidelijk homoseksuele kenmerken vertoonde, kwam daar in het ‘Spiegel’ interview (2004) echter weer op terug toen hij desgevraagd moest toegeven dat hij zich had vergist. Hij zou inmiddels meer te weten zijn gekomen over Wilhelms ‘vrouwen affaires’ en zijn onechte kinderen’. Ook hierover komt Röhl echter niet met bewijzen. Hij besteedt vele pagina’s aan Wilhelms sexleven, schrijft over een zekere ‘Ella Socupis’ en ene ‘mrs Love’ waar Wilhelm verhoudingen mee zou hebben gehad en over een onechte dochter waarmede men hem had willen chanteren. Maar hij heeft het allemaal ‘van horen zeggen’en hij beroept zich op anonieme brieven en boeken zonder echter zijn beweringen hard te maken. Tenslotte beweert hij dat de familie Bismarck bepaalde, voor Wilhelm zeer compromiterende, brieven zou hebben opgekocht maar….en dan komt toch de aap uit de mouw, het bewijs voor dit alles zou ‘helaas’ niet voor de onderzoekende historicus beschikbaar zijn want dat zou men verborgen houden in een kluis in Friedrichruh.1
Overigens, de affaires waar Röhl zo uitgebreid over schreef, werden door de historicus Tyler-Whittle weer openlijk betwijfeld. Deze constateerde voorts dat ook de beweerde homoseksualiteit van Wilhelm nergens is aangetoond en dat daar ook nooit het geringste bewijs voor is geleverd.

De kleren van de keizer
Een ander onderwerp dat in dit verband de onverdeelde aandacht van een groot aantal auteurs genoot, zijn de uniformen van Wilhelm. Zij vormen een dankbaar onderwerp voor kritische en vooral spottende beschouwingen en worden vaak aangehaald als bewijs voor een van de vele afwijkingen waaraan de keizer zou lijden, namelijk excessieve ijdelheid.

D.J.Goodspeed, een bekend en over het algemeen zeer goed gedocumenteerde en objectieve historicus kon de verleiding kennelijk niet weerstaan zijn steentje aan de mythevorming bij te dragen toen hij de eindeloos herhaalde fabel over Wilhelms ijdelheid te berde bracht. Goodspeed schreef:

‘Wilhelm was uniformgek. Hij bezat meer dan 200 uniformen en bij de première van de opera “de vliegende Hollander” verscheen hij in de keizerlijke loge in het gala uniform van admiraal van de Duitse Kriegsmarine. Toen hij een bezoek bracht aan het heilige land, kon men hem maar met moeite weerhouden om een kruisvaarders outfit aan te trekken’.2

Ook de Britse historicus Gary Sheffield schreef nog in 2001 in zijn ‘The origins of the First World War’ ;

‘Wilhelm never matured, loved dressing up in uniforms and may have been a repressed homosexual’.

Robert Massie schreef nog slechts enkele jaren geleden;

‘Wilhelm was een dwaze oude pauw. Hij bezat meer dan 200 uniformen die door 12 knechten in continue dienst werden onderhouden. Hij paste zijn kleding aan aan de omstandigheden. Als hij naar Wagners opera ‘de vliegende Hollander’ ging trok hij zijn admiraalsuniform aan’, 3

en een ander schreef;

‘Als hij een Engelse plumpudding verorberde deed hij dat in het uniform van een Britse veldmaarschalk’.

(Kennelijk waren deze historici niet op de hoogte van het feit dat Wilhelm, althans volgens de chef van zijn Marinekabinet, admiraal von Müller, niet van opera’s hield en al helemaal niet van Wagner die hij niet ‘volkstumlich” achtte en het is maar de vraag of hij de ‘Vliegende Hollander’ ooit wel heeft bezocht 4)

Dit soort nonsens, in alle ernst neergeschreven door toch alom gerespecteerde historici maken duidelijk hoe ver de mythevorming over de Duitse keizer ook in die kringen inmiddels is doorgedrongen en hoe gemakkelijk men zin en onzin in de loop der jaren is gaan verwarren.
Nu weet ik niet hoeveel uniformen Wilhelm precies had, het kunnen er 200 maar misschien ook wel 400 geweest zijn. Maar dat het er veel waren staat wel vast en daar was ook een goede reden voor. Tijdens zijn bezoeken aan de troepen droeg Wilhelm vaak het uniform van het regiment dat hij ging inspecteren en zoals we weten was het Duitse leger vrij omvangrijk en bezat tientallen regimenten. De keizer was ook erekolonel in veel buitenlandse legers en tijdens bezoeken aan die landen werd hij dan geacht het uniform dat bij zijn kolonelschap behoorde, te dragen. Of men daaruit nu de gevolgtrekking kan maken dat hij uniformgek was gaat dan toch wel wat ver. Men zou zich dan toch ook kunnen afvragen of het waar was dat de Britse koning Edward Vll , bekend om zijn spreekwoordelijke ijdelheid, ruim 1100 paar schoenen had en de Russische tsaar zelfs tijdens het zwemmen zijn uniformpet bleef ophouden. (tijdens het tennissen in elk geval wel)
Ook de tsaar, van wie Staatsraad Polovtsow in 1901 vaststelde dat deze op geen enkel gebied een principieel, weldoordacht en consistent regeringsbeleid voerde en dat diens handelingen steeds impulsief, op goed geluk en onder ingeving van het moment genomen werden, 5 zag men eigenlijk nimmer zonder uniform maar dat schijnt niemand te hebben gehinderd.

In Duitsland was het dragen van een uniform in die tijd een maatschappelijk gegeven en zo was het bijvoorbeeld heel gewoon dat een leraar gymnasium zijn uniform van reserve-luitenant in de aula droeg, de stationchef z’n ambtelijke sabel omgordde en de rijkskanselier zich in de Rijksdag in een militair uniform kompleet met degen en Pickelhaube vertoonde. Duitsland was wellicht zelfs het enige land ter wereld waar ook de ministers vaak in uniform met degen rondliepen. Wilhelm onderscheidde zich daarbij in niets van zijn landgenoten en was dan ook bepaald geen uitzondering. Het behoorde gewoon tot de toenmalige mode.

Kortom de uniformenkwestie is een van die ‘historische‘ gegevens die, als het over Wilhelm gaat, te pas en te onpas worden genoemd met de duidelijke bedoeling de keizer belachelijk te maken en hem als abnormale en ijdele dwaze pauw te etaleren. Het is merkwaardig dat zelfs historici van naam zich daartoe hebben geleend.


Die enge man met dat armpje
Tijdens een toespraak in november 2004 op een bijeenkomst in Huis Doorn, de vroegere verblijfplaats van de laatste Duitse keizer Wilhelm ll, werd door de spreker terloops de figuur van de keizer aangehaald. Hij refereerde daarbij aan hem als “die enge man met dat armpje”. Met deze uitspraak werd een lange traditie van negatieve berichtgeving over Wilhelm ll voorgezet die begon bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en tot op de dag van vandaag nog steeds en welhaast automatisch wordt gecontinueerd.

Was Willhelm geestelijk onvolwaardig?
In de literatuur die het licht zag na Wilhelms abdicatie van de troon, was en is het karakter en de geestelijke gezondheid van de keizer nog altijd een belangrijk onderwerp van discussie.
De keizer zou, althans volgens een aantal historici, waaronder Röhl, Lutz, Kohut, Ludwig, Albertini, Palmer en anderen, hebben geleden aan een scala van lichamelijke maar vooral ook psychische afwijkingen. Als oorzaak werd dan onder andere zijn moeilijke geboorte genoemd waarbij hij niet alleen een verminkte arm, maar ook nog hersenletsel zou hebben opgelopen. Voorts zou zijn moeilijke jeugd, zijn liefdeloze moeder en de Spartaanse opvoeding door zijn gouverneur Hinzpeter een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verdere vervorming van zijn geest en karakter. Daarbij buitelen zij soms over elkaar heen bij het benoemen van de psychische kwalen waaraan Wilhelm zou hebben geleden en sommige historici gaan daarbij toch wel zeer ver. Om maar enkele te noemen uit het scala van geestelijke afwijkingen die men Wilhelm toedichtte; Hereditary psychic degeneration (Friedlander), Ceasarian madness (Röhl), porphyria (Kohut), repressed homosexsuality (Kohut, Röhl) etc.
Over de oorzaken van al die vermeende gebreken wordt nog wel eens verschillend gedacht, maar over het feit dat Wilhelm in feite een psychiatrisch patient zou zijn geweest, daar is men het over het algemeen toch wel over eens.
Opvallend daarbij is dat een aantal historici bij hun beoordeling van ’s keizers geestelijke vermogens en niet gehinderd door professionele kennis van de psychiatrie, elkaar nog steeds naar hartelust napraten.
Een kleine bloemlezing uit de gepropageerde meningen moge dat illustreren.

De Britse auteur Alan Parker suggereerde in zijn boek ‘The Kaiser’, dat Wilhelms verminkte arm in wekelijkheid slechts een uitwendig teken was van een veel dieper gaande geestelijke onbekwaamheid 6 waarbij hij er op wees dat Wilhelm stamde uit een familie waarin geestelijke onvolwaardigheid meer voorkwam zoals bij zijn oudoom Frederick Wilhelm lV van Pruisen die in 1858 officieel seniel werd verklaard en van tsaar Paul en koning George lll die eveneens geestelijk gestoord waren.
De Duitse historicus en Wilhelm-specialist Schubler schreef over Wilhelm;
‘Er ist ein Mensch voller Widerspruche, Zartsinn und rücksichtslosze Launenhaftigkeit, keine Erziehung und keine Disziplinierung, unglaubliche Taktlosigkeit und entzückende Liebenswürdigkeit, gröszte Eitelkeit und Besserwissen’, 7

Thomas Kohut, in zijn ‘William ll and the Germans’ stelde vast dat de keizer leed aan psychische instabiliteit en hij schreef dat toe aan de zeer slechte verhouding van Wilhelm met zijn moeder 8

Historicus J.Röhl was van mening dat Wilhelms abnormaliteit veroorzaakt werd door de problemen welke bij zijn geboorte ontstonden als gevolg van onvoldoende zuurstoftoevoer naar de hersenen.9

Ook de historicus Albertini was er, na het lezen van de brief die Wilhelm op 27 juli 1905 aan de Russische tsaar schreef over een mogelijke alliantie tussen de dual alliance en de tripple alliance, van overtuigd dat Wilhelm geestelijk niet in orde was. Hij riep uit;

‘En zo’n man was voor een groot deel verantwoordelijk voor het lot van de gehele wereld. Zij die onder hem dienden, met von Bülow aan het hoofd, vroegen zich regelmatig af of ze hem niet onder curatele moesten stellen, maar dat hebben ze nimmer aangedurfd’.10

Edward Grey, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, die de keizer, overigens net als de meeste andere critici, nimmer had ontmoet, was ook van mening dat Wilhelm geestelijk niet normaal was. Niet alleen abnormaal maar daarbij ook nog eens uitermate oppervlakkig.

De eerder genoemde historicus Röhl, die een omvangrijke studie schreef genaamd ‘Wilhelm II, der aufbau der Persönliche Monarchie’ waarvan de eerste twee delen samen al zo’n 3000 pagina’s bevatten en de bronvermelding in deel 2 alleen al 500 pagina’s in beslag neemt, geeft vele voorbeelden om aan te tonen dat Wilhelm geestelijk onvolwaardig moet zijn geweest.
In het hoofdstuk: ‘Nervenschwäche, Geistesstorung, schlechtes Blut’ 11 put hij onder meer uit het dagboek van generaal Waldersee die hij maar liefst negentien keer citeert.

Deze bij Wilhelm in ongenade gevallen generaal, maakte zich jarenlang achtereen ‘bezorgd’ over de geestesgesteldheid van de keizer, waarbij hij steeds opnieuw een acute aanval van krankzinnigheid voorspelde zonder dat die zich overigens ooit heeft gemanifesteerd.
Röhl draagt verder van alle kanten zijn ‘bewijsmateriaal’ met opmerkelijke gretigheid aan. Zo sleept hij er het dagboek bij van de dochter van de Britse minister Salisbury van maart 1888. Zij zou gehoord hebben van de particuliere secretaris van de premier, dat die een gesprek had met een Britse chirurg dr. John Erichsen die hem een uitermate belangrijke mededeling had gedaan over de geestelijke gezondheid van de Duitse keizer. Erichsen zou hebben gewaarschuwd dat de toenmalige Duitse kroonprins al op 14 a 16 jarige leeftijd aanleiding had gegeven tot ernstige zorgen over zijn geestelijke vermogens. Erichsen zou dat weer hebben gehoord van niet nader genoemde Duitse artsen die hem daarover uitvoerige inlichtingen hadden verstrekt. Hieruit kon worden opgemaakt dat Wilhelm geen normale man was en dat ook nooit zou worden. Vermeld werd dat de ‘geesteszieke’ Wilhelm regelmatig woedeaanvallen zou krijgen waardoor hij volstrekt incapabel zou zijn om zijn taak van staatshoofd te vervullen.
Erichsen zou, nog steeds volgens het dagboek van de dochter van de minister, diens privé-secretaris hebben gewaarschuwd dat de keizer daardoor een groot gevaar zou kunnen opleveren voor de vrede in Europa. 12

Helaas verzuimt Röhl die duizenden documenten heeft bestudeerd, nu juist die aantekeningen te produceren die Erichsen beweerde te hebben ontvangen van Duitse artsen en alhoewel Erichson later, toen Wilhelm al jaren als keizer van Duitsland functioneerde, moest toegeven dat zijn voorspellingen tot dan toe niet waren uitgekomen, blijft Röhl dit ‘bewijs’ zowel in zijn eerste als in zijn tweede deel herhalen.
Daar bleef het echter niet bij.
De keizer zou ook aan krankzinnige waanideeën (Cäasarian madness) hebben geleden en Röhl aarzelt dan niet om de jongste zoon van Wilhelm, Joachim, die later zelfmoord heeft gepleegd, ten tonele te voeren om aan te tonen dat ook de vader dus niet helemaal normaal kon zijn 13
Deze theorie is echter, net als de andere theorieën over zijn beweerde krankzinnigheid, nimmer met een wetenschappelijk bewijs onderbouwd en we moeten de uitleg van Röhl dus maar nemen voor wat ze is. Overigens, de Australische neuroloog, Dr. G. Miller, stelde nadrukkelijk dat het door Röhl genoemde begrip ‘cesarrenwhansinn’ geen psychiatrische aandoening genoemd mag worden en kwalificeerde de bewering zelf als ‘nonsens’. 14

Keizerlijke schuttingtaal
Thomas. A. Kohut ging nog een stapje verder en zag allerlei verbanden tussen ’s keizers verbale uitlatingen en zijn lichamelijke onvolwaardigheid. 15
Zo constateerde hij dat de keizer wanneer deze zich uitliet over problemen bij de marine, uitdrukkingen bezigde die nauw verband hielden met zijn fysieke handicap. Zo zou hij in 1896 de marine een ‘verschrompelde’ (zusammenschrümpfende) organisatie genoemd hebben en in 1897 was hij van mening dat het Rijk ‘verlamd’ was als gevolg van het gebrek aan een grote vloot. In 1899 beschreef hij een vermeende actie van Engeland in Afrika om Duitsland en Frankrijk in zee te duwen met de woorden dat dit slechts een ‘slight movement of the elbow’ zou vereisen en Kohut zag daar weer een verband met de invalide arm van de keizer in.
Wilhelm zou tenslotte, nog steeds volgens Kohut, een vreselijke hekel hebben gehad aan het woord ‘disarmament’,
Hij betrapte de keizer voorts op het regelmatige gebruik van schuttingwoorden die zouden wijzen op zijn onbewuste angst voor castratie. Kohut refereert daarbij aan een gesprek dat Wilhelm eens voerde over de kans dat Duitse schepen ‘might be cut off’ door de mobilisatie van de Russische Zwarte Zeevloot. Voorts zou Wilhelm de Duitse ambassadeur in Londen in 1908 opdracht hebben gegeven om de Britse voorstellen tot vermindering van het Duitse vlootbouwprogramma te beantwoorden met ‘kiss my ass’ en in een brief aan von Bülow van 29 oktober 1899 zou hij de kans dat de Duitse marine door de Britse vloot zou kunnen worden overvallen, omschreven hebben als; ‘being caught with ones pants down’.
Aan dat alles verbond Kohut de conclusie dat Wilhelm het gemis aan een machtige marine, als een vorm van castratie, als een gemis van een vitaal lichaamsdeel onderging en hij legde een direct verband tussen dit soort door Wilhelm gebezigde uitdrukkingen die allemaal te maken hadden met essentiële lichamelijke functies, met zijn wens om een machtige marine op te bouwen en de vernedering die hij zou hebben gevoeld toen hij merkte daar niet toe in staat te zijn. 16
Het is opvallend dat bovengenoemde observaties niet afkomstig zijn van een gelicenseerd psychiater, maar van een historicus. Zoals zijn voorwoord ons leert, heeft hij naar hartelust gegrasduind in psychiatrische modellen en psychoanalytische perspectieven en hij ontpopt zich zelfs als een volleerd deskundige als hij de geboorte van Wilhelm en de daarbij ontstane problemen beschrijft. Allemaal erg interessant en indrukwekkend, maar zijn analyses wemelen van de veronderstellingen en hij faalt volkomen bij het leveren van ook maar het geringste stukje wetenschappelijk of medisch bewijs.

De amateur-psychiaters.
Wie de literatuur er op naziet, kan haast niet anders dan tot de conclusie komen dat keizer Wilhelm II een wandelende krankzinnige, een totaal gestoorde figuur moet zijn geweest, wiens afwijkingen het gehele omvangrijke gebied der psychiatrie omvatten. Men moet zich dan toch wel verbazen over het feit dat, om nog maar eens met Albertini te spreken; ‘zo’n man voor een groot deel verantwoordelijk was voor het lot van de gehele wereld’ en zich bijna 30 jaar heeft kunnen handhaven.

Bij het analyseren van al de ‘bewijzen’ voor de zieke psyche van de keizer valt, zoals eerder reeds opgemerkt, dan overigens wel op dat het merendeel van de genoemde auteurs op het terrein van de psychiatrie geen enkele deskundigheid bezitten maar in hun geschriften toch zonder enige schroom hun mening over ’s keizers psyche etaleren. Voor zover die kennis wel aanwezig is, verzuimt men bovendien medische bewijsgronden aan te voeren. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat ook de overige door historici naar voren gebrachte bewijsvoering over Wilhelms ‘afwijkingen’ over het algemeen flinterdun zijn en nergens echt door de feiten, bijvoorbeeld een op de persoon uitgevoerde psychoanalyse of een officiële medische verklaring, wordt onderbouwd.
De vraag is dan ook gerechtvaardigd of Wilhelms psyche nu echt wel zo vervormd was en of hij daardoor inderdaad, zoals zo vaak wordt beweerd, niet in staat zou zijn geweest om naar behoren als vorst en keizer te functioneren. In onze optiek is voor die stelling nimmer ook maar het geringste harde bewijs aangeleverd en moeten we veel van de beweringen dan ook gevoeglijk als ‘pseudo-wetenschappelijk gebabbel’ kwalificeren.

Röhl verwijst dan wel naar een uitspraak van Freud die de keizer uitermate instabiel noemde, maar het was dezelfde Freud die beweerde dat president Wilson van Amerika er van overtuigd was de zoon van God op aarde te zijn. Freud, die Wilson zelf nimmer had ontmoet, schreef voor de bewijsvoering van zijn stelling een lijvig boek dat naar later bleek voortkwam uit persoonlijke wraakgevoelens ten opzichte van de president. 17
Hij zou zich teleurgesteld hebben gevoeld over het door Wilson gevoerde beleid. Vakmensen zullen voor dit merkwaardige optreden van Freud overigens vast wel een psychiatrische verklaring kunnen bedenken. Ook hier is het weer zo dat de criticus, in dit geval dus Freud, de keizer nimmer heeft gesproken of heeft kunnen onderzoeken.
Zoals gezegd, zowel van Wilhelm als van president Wilson werd nimmer een psychoanalyse gemaakt en Freuds vaststelling kan men dan ook moeilijk au-serieus nemen.
Nogmaals, al deze beweerde psychische afwijkingen van de keizer zijn nooit door officiële medische verklaringen of rapporten onderbouwd. Men zou misschien toch wat kritischer moeten zijn ten opzichte van historici die niet schromen om zich op medisch en/of psychiatrisch gebied te begeven, maar daarbij dan toch moeilijk als gezaghebbend kunnen worden beschouwd.

Vastgesteld kan voorts worden dat veel van de beweringen over Wilhelms karakter en/of geestelijke gezondheid afkomstig waren van ondergeschikten en dan ook vaak nog van ondergeschikten, met von Bülow en Waldersee aan het hoofd, die op een of andere wijze in ongenade waren gevallen. Anderen zoals bijvoorbeeld zijn chef van het Marineamt, admiraal Műller, die gedurende de gehele oorlog bij de keizer in diens hoofdkwartier verbleef, hadden ook veel kritiek maar die had veel meer betrekking op de persoon van Wilhelm en zeker niet op zijn geestesvermogen. Ook de kritiek die zijn adjudant Ilseman later op hem uitoefende had daar zeker geen betrekking op. Wilhelm was mogelijk nogal excentriek, soms zelfs onaangenaam, ontaktisch, niet altijd even evenwichtig, maar gek zeker niet. Veel van de ‘analyses’ van de geestesvermogens van de Duitse keizer werden trouwens pas na zijn dood gemaakt en we moeten dan ook grote vraagtekens zetten bij de betrouwbaarheid daarvan.

Recent schreef de historicus Christopher Clark in zijn uitstekende biografie over de Duitse keizer, in dat verband het volgende: 18.

‘De psychoanalyse van reeds overleden personen is natuurlijk wel fascinerend maar ook zeer speculatief. De problemen die naar voren komen bij het toepassen van de diagnostische categorieën worden er zeker niet minder op door de onduidelijke en elkaar veelal tegensprekende bronnen. Met name de mening dat Wilhelm bij zijn geboorte hersenletsel zou hebben opgelopen, wordt slechts gesteund door diagnostische aannamen die elkaar op verschillende manieren tegenspreken en in ’t geheel niet gedekt worden door medische verklaringen. Integendeel, geen van de artsen die Wilhelm in zijn jeugd behandelden hebben tekenen geconstateerd van psychische afwijkingen of zelfs maar hun twijfel daarover uitgesproken’.19

Ook Wilhelms lijfarts, dr.Leutholt, verwierp de beweerde krankzinnigheid van Wilhelm dan ook als een fabel. 20.

Clark merkt dan verder op dat:

‘de beweerde krankzinnigheid van vorsten nogal eens door politieke in plaats van medische achtergronden werd ingegeven’ en hij verwijst daarbij naar de Russische tsaar Alexander l die door de Britten voor krankzinnig werd versleten, maar alleen dan als ze vonden dat hij weer eens tegen de Britse belangen in ging’.

Wat Wilhelm betreft, zo vervolgt Clark;

‘tijdgenoten hebben vastgesteld dat de geruchten over ‘s keizers geestelijke gezondheid die vanaf 1890 de ronde deden, veelal politiek gemotiveerd waren al ontkenden ze niet dat het vaak wat excentrieke gedrag van de keizer mede aanleiding is geweest tot het ontstaan van die geruchten’ 12

Clark maakte nog een andere zeer interessante observatie. Hij stelde vast dat de diverse diagnoses over Wilhelms beweerde psychische afwijkingen steeds veranderden en wel erg vaak de op dat moment geldende trend in de psychiatrische wetenschap volgden.
En dat is inderdaad een opvallend gegeven. Zo luidde de diagnose in 1890 ‘nervous debility’. In 1914 heette het dat Wilhelm leed aan ‘manisch depressieve psychoses’, in 1916 werd dat ‘periodic disturbedness’ Gedurende de tijd van de republiek veranderde de trend wederom en was men van mening dat Wilhelm het slachtoffer was van wat men noemde ‘dynastic degeneration’ In de jaren rond 1920 kwam de term ‘Freudian paradigm’ voor Wilhelms beweerde afwijking in zwang. Rond 1970, toen homoseksualiteit vooraan in de aandacht stond, werden de beweerde psychische stoornissen toegeschreven aan ‘repressed homoxsexuality’, rond 1980 werd gemeld dat hij moet hebben geleden aan ‘neurologische afwijkingen’ en de laatste jaren hoort men beweren dat hij leed aan ‘prophyria’, een genetische afwijking onder de naam van ‘de genen van George de derde’. 22

In dit verband mag verder worden opgemerkt dat er aan deze opsomming nog steeds geen eind is gekomen, want nog recent kon men nog lezen dat de keizer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geleden heeft aan ‘pseudologica fantastica’ een geestesafwijking waarbij de patiënt niet meer in staat is fantasie van werkelijkheid te onderscheiden terwijl in het prachtige Duitse historisch blad ‘Geo Epoche’ no 12 van febr/maart 2004 nog eens wordt gemeld dat volgens de bekende psychiater Emil Kraepelin, Wilhelm een typisch geval was van ‘manisch-depressieve psychose’. Natuurlijk duikt dan ook weer het verhaal op van de zich minstens 6x per dag verkledende keizer die er plezier in had tijdens gymnastiekoefeningen aan boord van zijn jacht, de bretels van zijn bukkende admiraals door te knippen. of gebukt staande zwaarlijvige onderdanen een zetje te geven. 23.

Indien men deze bonte verzameling van controversiële diagnoses werkelijk zou moeten geloven, dan moet Wilhelm toch wel een uitermate apart psychiatrisch fenomeen zijn geweest. We dienen dan ook grote vraagtekens te zetten bij de wetenschappelijke waarde en betrouwbaarheid van deze enorme variëteit aan diagnoses.
Zijn dus een aantal hedendaagse historici nog steeds van mening dat Wilhelm in mindere of meerdere mate geestelijk gestoord moet zijn geweest, hedendaagse psychiaters blijken daarbij toch veel voorzichtiger in te zijn. Wilhelm mag dan, zo stelt men, misschien wel excentriek zijn geweest, het is maar zeer de vraag of hij werkelijk aan persoonlijkheidsstoornissen leed, een criterium dat vandaag de dag noodzakelijk zou zijn om iemand bijvoorbeeld gedwongen te laten opnemen in een psychiatrische instelling, een criterium ook waarvan men voor wat betreft Wilhelm vooralsnog geen enkel bewijs aanwezig acht.

Naar aanleiding van de vele beweringen dat Wilhelm zou hebben geleden aan Porphyria nam ik contact op met de Australische neuroloog Dr.Geoffrey Miller. Deze maakte een studie naar de geestesgesteldheid van Wilhelm en ik vroeg hem naar zijn mening daaromtrent. Miller schreef daarop het volgende:

‘I understand that the later book by Röhl was co-authored with two respected geneticists and between them they do make the case that Wilhelm had both the potential to be afflicted by the rogue gene and had exhibited symptoms.
But my understanding of this type of illness is not so much that one automatically becomes afflicted and start raving , rather, it grows subtly and it fits and starts in a similar manner to Parkinsons Disease. It seems to lie dormant and undetected through childhood, until one or more symptoms may manifest themselves in early or mid-adult life. And although the chemical balance in the mind can be affected, like Parkinsons, it seems that the mental impairment does not follow a fixed pattern. So, to say that someone is “mad” because they have prophyria is the wrong way round. Rather a combination of one or more symptoms, at various strengths and at various times, would lead to the conclusion that porphyria was manifesting itself. Diagnosis and predicting outcomes are made more difficult because the “purple” strain of the disease is not quite the same as the “common” strain.
Porphyria exists in several forms, the more important being acute intermittent porphyria and porphyria cutaqnca tarda, the type that gives rise to skin manifestations. There is absolutely no evidence that Wilhelm suffered from this latter type, which is often precipitated by exposure to sunlight.
Acute intermittent porphyria does have neurological manifestations, as well as attacks of acute abdominal pain and is a rare disease, except in certain families. I have been a consultant physician in America since 1961 and a medical practitioner for 50 years, yet I have seen about five cases in my medical lifetime.
The abdominal pain is basically neurological and is usually disabling and recurrent. I am not aware that Wilhelm suffered from attacks of these. The urine is often discoloured during attacks, the so called “port wine urine”; physicians during Wilhelm’s lifetime would have recognized this but as I understand it, they never did.
The neurological manifestations are associated with paralysis but rarely occurs before puberty. Wilhelm has well described atrophy (wasting) of one arm only and this has been well documented as following a birth injury and was present after birth; the paralysis of porphyria are usually multiple and progressive. Wilhelm’s arm weakness was stable all his life. Wilhelm had none of the neurological manifestations of porphyria’.

Miller vervolgde dan zijn observatie met de mening dat;

‘Psychiatric symptoms of porphyria are variable and include anxiety, depression, insomnia, disorientation, hallucinations and paranoia. The patient may become floridly psychotic. These symptoms are certainly not specific to porphyria and, in fact, I would fail any medical student who gave porphyria as being the most common case of these symptoms in a final examination.
I have always considered Wilhelm to be sane although prone to volatility. He had a “thing” about his arm weakness and was ashamed of it, but many others have the same attitude, particularly during the time when he lived.
In summary, I have never read any evidence that Wilhelm suffered from porphyria; he does not appear to have had any of the psychiatric abdominal nor neurological manifestations and although a number of geneticists may say what they like, I cannot find any evidence that Wilhelm was a sufferer of this condition’. 24

De Nederlandse psychiater Dr. J. Hofman voegde daar desgevraagd nog als zijn mening aan toe;
‘Het lijkt mij aannemelijk dat Wilhelm door de omstandigheden van zijn levensloop naar gangbare normen gerekend wel een min of meer afwijkende persoonlijkheid was maar dat rechtvaardigt, die omstandigheden in aanmerking genomen, geen specifieke psychiatrische diagnose. Ik wil er op wijzen dat hoewel de psychiatrie in hoge mate een subjectief vakgebied is en bij de huidige stand van de wetenschap met betrekking tot de samenhang tussen psychische stoornissen en afwijkingen van de hersenen ook niet kan zijn, er mede op grond van de veelheid van de gestelde diagnoses geen duidelijk beeld van de persoonlijkheid van Wilhelm kan worden gegeven, of deze persoonlijkheid nu gestoord is of niet.’ 25
Ik heb daar verder niets aan toe te voegen,


De eerder genoemde historicus Clark merkte terecht op dat al die ‘wetenschappelijke’ diagnoses, geen enkele ruimte lieten voor een wat rationeler benadering waarbij de zaken meer in hun context werden gezet. Als voorbeeld wees hij op de analyse van Röhl die, om zijn stelling te bewijzen dat Wilhelm zou hebben geleden aan krankzinnige waanideeën of wel ‘Caesarian madness’ een aantal episodes op zodanige wijze achter elkaar heeft gezet, dat ze tenslotte zijn theorie over het gedrag van Wilhelm zijn gaan ondersteunen.
Clark leverde ook kritiek op het feit dat Röhl een opmerking van Wilhelm waarin deze zijn admiraals zou hebben toegevoegd: ‘Jullie weten nergens iets van, Ik ben de enige die weet waarover het gaat en ik ben de enige die beslist!,’ 26 gebruikte om zijn theorie te ondersteunen.
De auteur merkte hierover voorts op dat als men er maar van uitgaat dat de keizer inderdaad geestelijk gestoord was, men zo’n opmerking letterlijk neemt, als bewijs van een vertroebelde geest. ‘Als we echter’, aldus Clark, ‘deze opmerking in zijn context plaatsen dan is ze helemaal niet zo vreemd. De keizer was omgeven door mensen die een bedreiging konden vormen voor zijn persoonlijke autoriteit en hoewel niet erg tactisch, kan men in deze uitbarsting toch niet meer zien dan wat ze was. Een uitbarsting tijdens een discussie waarbij de irritaties waarschijnlijk hoog waren opgelopen.’


Wilhelms moeilijke karakter
Natuurlijk was Wilhelm qua persoonlijkheid nu niet direct de meest ongecompliceerde man en inderdaad had hij ook niet het meest aangename en prettige karakter ter wereld. Het is wel zeker dat hij niet altijd even gelijkmatig en stabiel was. Ja, hij kon soms in woede uitbarsten, kon inderdaad slecht tegen kritiek en het waren altijd anderen die de schuld hadden als er iets mis ging. Evenzo is het welhaast zeker dat de slechte verhouding met zijn moeder, zijn vreugdeloze jeugd en uitermate harde opvoeding hun sporen op het karakter van de keizer hebben nagelaten en men hoeft geen psychiater te zijn om de bewijzen daarvan soms in zijn latere uitingen en handelingen terug te vinden. Maar dat betekent nog niet automatisch dat dit zijn functioneren als keizer van Duitsland dusdanig heeft beïnvloed, dat hij totaal ongeschikt zou zijn geweest om die functie uit te oefenen. We zouden pas tot een redelijk goed oordeel kunnen komen over Wilhelms gedragingen, indien we konden beschikken over vergelijkende karakterstudies van zijn mede-monarchen en staatshoofden uit die tijd zoals bijvoorbeeld de tsaar, koning Edward Vll, keizer Franz Joseph, president Poincaré van Frankrijk en de Amerikaanse president Wilson (over wie Freud en zijn vriend Bullitt een psychoanalytische biografie schreven waarin ze Wilson een ‘geestelijk gedesintegreerde persoonlijkheid’ noemden omdat hij er van overtuigd zou zijn de zoon van God op aarde te zijn) etc.etc. 27 Het is maar zeer de vraag of het karakter en het gedrag van Wilhelm bij zo’n vergelijking dan wel in alle opzichten zo opvallend zouden afsteken.

Andere meningen
Zoals gezegd, veel van de analyses welke men van de psyche van de keizer heeft gepubliceerd, dateren van de periode tijdens en van na de oorlog.
Bezien we de publicaties van vóór 1914 en de opinie die men zich toen in brede kringen over Wilhelm gevormd had, dan ontstaat er toch een ander beeld. Het wordt dan ook tijd om ook aan die observaties eens wat aandacht te besteden.
Een kleine bloemlezing daaruit lijkt hier op zijn plaats:

De Russische minister van Buitenlandse Zaken, Giers, schreef naar aanleiding van de missie die Wilhelm, toen nog prins, in opdracht van Bismarck in Rusland met groot succes uitvoerde, opgetogen:
‘Wie ook op de gedachte is gekomen om de prins voor deze missie aan te wijzen, verdient te worden gecomplimenteerd!’

Prof. John W. Burgess (1844-1931), de vader van de Amerikaanse Politieke Wetenschappen en bekend auteur, schreef in oktober 1914 onder andere:

‘De manier waarop men nu ineens in Engeland over de Duitse keizer schrijft is een herhaling van de wijze waarop de Britse pers in 1860-1864 Abraham Lincoln behandelde. Ze creëerden een nachtmerrie en gaven die de gedaante van president Lincoln. Het was destijds volstrekt zinloos om iets te zijner verdediging te berde te brengen. Ik ben door mijn functie vele malen in contact met de Duitse keizer gekomen maar ik herken niets in de karakteristieken welke hem momenteel door de Britse en Amerikaanse pers worden toebedacht.
Ik heb de keizer leren kennen als een uitzonderlijk intelligente en gecultiveerde man. Zijn algemene ontwikkeling is immens en soms zelfs verbazingwekkend en zijn interessesfeer is dat eveneens. Wat me het meest is opgevallen waren zijn diepgaand verantwoordelijksheidgevoel en zijn bereidheid tot zelfopoffering voor het welzijn van zijn volk’. 28

De Duitse admiraal Müller, hoofd van het Marine Kabinet vóór en tijdens de oorlog en duidelijk geen vriend van de keizer (hij hield een dagboek bij waarin hij op bijna elke pagina kritiek leverde op de keizer) schreef desondanks toch dat:

‘de keizer tijdens de dagelijkse sessies met zijn generaals en ministers hun voordrachten op uitstekende wijze beoordeelde. De vragen die hij hen stelde raakten steeds de kern van hun rapportage en gingen zeer diep. Hij drukte zich daarbij zeer duidelijk uit en liet zich niet met halve argumenten afschepen en zijn kritiek was doorgaans zeer terecht.’29 en wat verder merkte hij op:

‘ik weet uit eigen ervaring dat de keizer een opmerkelijk inzicht had, ook op technisch gebied, en over een verbazingwekkend geheugen beschikte. Hij had de gave uit het hoofd zijn redevoeringen te houden. Zijn geheugen stelde hem zelfs in staat eerder gehouden redevoeringen woord voor woord op een later tijdstip te herhalen’.30

Het was de Britse staatsman Chamberlain die van mening was dat Wilhelm een buitengewoon goed inzicht in Europese kwesties had. Hij schreef althans:

‘Ik had een lang gesprek met de keizer hetgeen mijn eerdere gedachten over hem, dat hij beschikte over een buitengewoon diepgaande kennis en inzicht in de Europese politiek, bevestigde’. 31

De Britse minister van Oorlog, Haldane (1856-1928) voerde in 1912 besprekingen over een vermindering van de marine-wapenwedloop tussen Duitsland en Gr.Brittannië en toonde zich onder de indruk van Wilhelm’s kennis van zaken en praktische instelling hetgeen de besprekingen zeer vereenvoudigde 32

Op 8 juni 1913 verscheen ter gelegenheid van het 25-jarige regeringsjubileum van Wilhelm ll een bijlage in de ‘New York Times’. Het bevatte onder meer huldeblijken van vooraanstaande Amerikanen en Britten over de positieve invloed welke de keizer uitoefende op het welzijn van het Duitse Rijk en de gehele wereld waarbij men speciale aandacht besteedde aan het werk van de keizer voor de wereldvrede.
President Roosevelt opende de lofuitingen door te verklaren dat hij, speciaal van Wilhelm ll, meer hulp had gekregen bij zijn pogingen om een eind te maken aan de Russisch-Japanse oorlog dan van enig andere staatsman. 33
Dit verhaal van de Amerikaanse president werd later nog eens nadrukkelijk bevestigd. We citeren uit het rapport van de Nederlander Dr. J. B. Manger voor het Nederlandse Comité tot onderzoek van de oorzaken van de Wereldoorlog uit 1934. Manger schreef: ‘

‘Tezelfder tijd zond Wilhelm aan Nicolaas een lange brief. Wie deze brief eerlijk leest, zonder het element van spot waarmee veelal- en soms misschien terecht- de keizerlijke briefwisseling wordt behandeld, moet hem bewonderen. Er moeten in Wilhelms hart vriendschap en hartelijke medegevoelens zijn geweest; die gaven hem de goede woorden in die op dat ogenblijk nodig waren en die van alle mensen, slechts hij tot den tsaar vermocht te richten. Als vriend tot vriend spreekt hij om den tsaar te doen berusten. Geheel onkundig dat Roosevelt reeds door Japan is aangezocht, raadt hij den tsaar, zich tot den president te richten. Hij stelt zich hiertoe beschikbaar, wijst echter ook op den Amerikaaanse gezant te Petersburg Meyer. Aan Roosevelt laat Wilhelm zijn stap weten. Roosevelt droeg nu Meyer op een audiëntie bij de tsaar te verzoeken. Deze vond de 6e de tsaar in het bezit van Wilhelms brief en wist de laatste tegenstand te overwinnen. Zo kon op 8 juni Roosevelt tot beide partijen de gelijkluidende telegrammen richten waarin hij hen verzocht directe vredesonderhandelingen te openen. De Duitse steun is hem van groot nut geweest; Wilhelms brief heeft zijn weg geëffend.34

President Butler van de Columbia Universiteit schreef in dezelfde bijlage dat Wilhelm de laatste tijd veel kritiek kreeg maar dat de geschiedenis zijn werkelijke betekenis voor de wereld wel recht zou doen. Hij gaf een groot aantal voorbeelden van de positieve invloed van de keizer op het wereldgebeuren en van zijn vredelievendheid en vredespogingen en eindigde met de woorden:

’If the German Emperor had not been born to monarchy, he would have been chosen monarch or Chief Excecutive by popular vote of any modern people among his lot might have been cast’. 35

Ook de Amerikaanse minister van Justitie, Taft, voegde zich bij deze lofuitingen en schreef dat de waarheid was dat de Duitse keizer gedurende zijn 25-jarige regering de belangrijkste individuele kracht was geweest in het handhaven van de wereldvrede. 36

De ‘Evening News’ schreef op 17 oktober 1913:
‘We kennen de keizer als een gentleman op wiens eenmaal gegeven woord kan worden gerekend, een zeer welkome gast en een heerser die steeds het allerbeste met zijn onderdanen voor heeft net zoals dat ook bij ons vorstenhuis het geval is’.

Natuurlijk zal het wel zo zijn dat al deze lofuitingen ter gelegenheid van het keizerlijke jubileum, enigszins ‘gekleurd’ zijn geweest en er is niets op tegen om ze ook als zodanig te waarderen zolang men maar bereid is dan ook de negatieve berichtgeving over Wilhelm te relativeren. Dat laatste nu blijkt echter veelal erg moeilijk te zijn.
Kraft in zijn ‘The Kaiser’ merkt overigens nog op dat:

‘Nederlandse, Oostenrijk-Hongaarse en Amerikaanse diplomten waren in het algemeen veel positiever in hun oordelen over Wilhelm en veel minder geneigd hem van onwil en kwade bedoelingen te verdenken dan hun Franse, Britse of Russische collegae.
Amerikaanse en Nederlandse diplomatieke rapporten beschreven de Duitse monarch regelmatig als indrukwekkend, goed geïnformeerd, capabel en in de grond van zijn hart vredelievend al was dat niet altijd uit zijn verbale opmerkingen op te maken.’

Ook Wilhelms kanselier en latere persoonlijke vijand, von Bülow, kon niet anders dan toegeven dat: ‘Wilhelm in politieke zaken veelal een juister en beter inzicht had dan zijn politieke adviseurs’. 37 en ook dat de vaak naar bloed en kruitdamp ruikende publieke uitingen van Wilhelm veelal slechts bedoeld waren de luisteraar te imponeren maar dat hij er in feite niets van meende.38

Albertini, de bekende Eerste Wereldoorlog historicus en niet direct een fan van Wilhelm,(ook hij was van mening dat Wilhelm geestelijk niet gezond was) schreef desondanks dat :
‘Wilhelm, in staat was zaken snel te doorzien, hij was vaak veel intelligenter dan zijn ministers en schatte snel de consequenties en gevolgen van politieke beslissingen juist in.’

en Nichols schreef tenslotte dat het Duitse volk na het vertrek van Bismarck vol verwachting maar ook vol vertrouwen in de jonge en dynamische Wilhelm, de toekomst tegemoet zag. 39

Generaal Waldersee, later bij Wilhelm in ongenade gevallen, was in januari 1887 van mening dat de (toen nog) prins een eigen mening had en zeker niet zou toelaten dat zich rond hem een partijkliek zou vormen waarvan hij afhankelijk zou worden en tezelfdertijd roemden over het algemeen goed geïnformeerde observators zoals Holstein en Herbert Bismarck de prins om zijn koelbloedigheid en zijn opvallend vermogen zich afzijdig te houden van tegenstrijdige politieke ontwikkelingen en stromingen. 40. Nadat Waldersee in ongenade was gevallen veranderde hij echter als een blad aan de boom en begon hij plotseling de geestelijke gezondheid van de keizer openlijk in twijfel te trekken, waarbij hij er alles aan deed om hem zo zwart mogelijk te maken.

Overigens, werd in regeringskringen algemeen aangenomen dat het Bismarck zelf was die, na zijn ontslag, het gerucht verspreidde in binnen en buitenland, dat de keizer geestelijk instabiel was, uit wraak voor het feit dat hij het ten slotte tegen de keizer had moeten afleggen..41

Müller gaf nog enkele interessante doorkijkjes in het leven van de keizer. Zo vertelde hij dat de keizer niet van de muziek van Wagner hield en geen begrip kon opbrengen voor moderne schilders maar gek was op landschappen, speciaal geschilderd door kunstenaars op Korfu, die hij steeds in grote aantallen aankocht en in zijn paleizen liet ophangen. Ook waardeerde hij de zeeschilders Salzmann, Bohrdt en St Öwer en de landschappenschilder Hans Dahl, die regelmatig aan boord van zijn jacht meevoeren. De keizer was overigens zelf een zeer verdienstelijk schilder waarbij hij zich vooral toelegde op het schilderen van marineschepen in actie. Ook de fotografie had zijn speciale aandacht.
De keizer was, volgens Müller, voorts een begaafd tekenaar terwijl zijn interesse eveneens uitging naar beeldhouwen waarvoor hij contacten onderhield met bekende beeldhouwers zoals bijvoorbeeld Achill uit Korfu, Alexander Unger uit Noorwegen en de Noor, graaf Görtz.
Volgens Müller was de keizer zonder enige twijfel een gelovig Christen en regelmatig kerkbezoeker. Hij onderhield een briefwisseling met de Britse bisschop von Ripon en was zeer onder de indruk van diens boek ‘De Mensenzoon onder de zonen der mensen’ waarover hij met hem van gedachten wisselde en hoewel de keizer overtuigd protestant was, stond hij welwillend ten opzichte van de Rooms katholieke kerk 42

Tyler-Whittle bevestigt de observaties van Müller min of meer en komt tot de conclusie dat:

‘ Wilhelms intellectuele erfenis rijk was. Gedurende z’n gehele leven was hij geïnteresseerd in archeologie en geschiedenis, militaire wetenschappen en schilderkunst. Hij las de meest belangrijke Duitse, Franse en Britse literatuur en toonde speciale belangstelling voor technische wetenschappen en kon moeiteloos en met kennis van zaken discussiëren over de meest uiteenlopende technische zaken…… Hij was trots op het feit dat Duitsland een industriële revolutie doormaakte, die van Berlijn een wereldstad maakte’.

Daarenboven was, aldus Tyler-Whittle,

‘Wilhelm een uitstekende verteller, blonk uit als zeiler en beheerste de paardrijkunst als geen ander, hetwelk bijzonder was gezien zijn handicap. Hij was tenslotte zowel fysiek als mentaal een moedig man, absoluut onvermoeibaar, en bovenal beschikte hij over een uitstekend gevoel voor humor. 43

Wellicht de meest gezaghebbende van degenen die een positief oordeel over de keizer velden, was de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, Dr.Alfred.H.Fried. Hij wijdde in 1912 een boek, ‘The German Emperor and the Peace of the World’ aan de vredeswil van Wilhelm ll, waarin hij onder andere wees op de verdragen die Duitsland sloot en waarmee de vrede was gediend zoals het Brits-Duitse arbitrageverdrag en het daarop volgende Duits-Amerikaanse arbitrageverdrag,van 1904. Ook wees Fried op de keren dat Duitsland meewerkte aan het op vreedzame wijze oplossen van geschillen en via Den Haag arbitrage vroeg of accepteerde zoals in 1899 bij een geschil tussen Amerika, Groot-Brittannië en Duitsland, in 1904 bij het geschil met Venezuela, en bij het Duits-Japanse geschil in mei 1904 en in 1909 bij het geschil over Casablanca, de Algeciras-overeenkomst van 1907, het Marokkoverdrag van 1909, het Noordzee en Baltische verdrag en de overeenkomsten van Den Haag van 1899 en 1907. Allemaal bewijzen, aldus Fried van de vredeswil van de Duitse keizer die nu al ruim 25 jaar aan de macht was en al die tijd de vrede heeft weten te bewaren. Hij openbaarde tenslotte dat het aan de invloed en het persoonlijk ingrijpen van de keizer te danken is geweest dat het Permanente Hof van Arbitrage, ondanks veel weerstand, uiteindelijk kon worden geïnstalleerd waardoor de Eerste Haagse Conferentie van mislukking werd gered.

En dan hebben we nog de opmerking van de Britse minister-president Balfour die na een ontmoeting met de keizer vertelde dat hij nooit eerder zo’n inspirerend gesprek had mogen voeren en hij voegde daar aan toe dat; ‘Wilhelm en koning George V de enige personen van koninklijke bloede waren waarmede hij een gesprek van man tot man had kunnen voeren’.44

Tenslotte schreef Kohut, de man die Wilhelm eerder voor volslagen krankzinnig had verklaard, nog in zijn ‘Wilhelm ll and the Germans’ :

‘Zijn brede educatie en fabelachtige geheugen, stelden hem in staat grote hoeveelheden informatie vast te houden, maakte het hem mogelijk met iedereen over praktisch elk onderwerp op intelligente en kundige wijze te spreken, of het nu ging over muziek, schilderkunst ,historie, antropologie,theologie, militaire strategie, marinebouw of commercie enz.enz.’ 45

Toch niet gek voor een krankzinnige, zouden we willen opmerken.

Kortom, in tegenstelling tot wat de propaganda tijdens en na de oorlog van Wilhelm ll heeft pogen te maken krijgen we uit de geschriften van vóór 1914 toch weer een heel ander beeld van de keizer en komt hij, naast zijn gebreken, impulsiviteit, opvliegendheid, labiliteit en andere eerder genoemde menselijke karakterfouten, ook over als een intelligente man met een uitstekende opleiding, een hoge algemene ontwikkeling, een enorm doorzettingsvermogen, grote en vele interessen, belezen en erudiet en met een op veel gebieden grote kennis van zaken. Daarenboven valt op dat zijn werk voor - en zijn bijdragen aan het handhaven van de wereldvrede destijds algemeen geroemd en erkend werden.
Hier komt dus toch ook een andere Wilhelm in beeld, een man die populair was bij het Duitse volk en ver daar buiten, een man die om zijn kwaliteiten door velen werd gewaardeerd.

Het was, zoals Heinrich Mann schreef, een feit dat de keizer zich vaak zonder schroom uitliet over zaken die op de achtergrond bij iedereen leefde. De liberaal Friedrich Naumann vond dat als de Duitsers kritiek hadden op de keizer, ze eens in de spiegel moesten kijken terwijl Walther Rathenau van mening was dat de keizer geheel voldeed aan het beeld dat het Duitse volk zich, bewust of onbewust, van een keizer gevormd had..

De redenen
Hoe komt het dan toch dat ook nog vandaag de dag, de meningen over Wilhelms persoon, zijn karakter en zijn geestestoestand nog steeds zo eensluidend negatief zijn?
De belangrijkste schuldige daaraan is toch wel de enorme propaganda die tijdens de oorlog over hem is uitgestort. De geallieerden beschikten over een enorm en effectief propaganda-apparaat dat er vier jaar lang geheel op was gericht om ‘het Duitse kwaad’ te personifiëren en het was de keizer die de rol van de grote schuldige, de aartsschurk, kreeg toebedeeld. Vier jaar lang werd hij bespottelijk gemaakt en op allerlei manieren als de grote Satan ten tonele gebracht en ook na de oorlog werd die propaganda nog met een opvallende felheid doorgezet. Het is dan ook niet onlogisch dat het effect hiervan nog lang voelbaar is gebleven en zich zelfs nog tot in onze tijd heeft voortgezet. Daarnaast kwam veel van de kritiek op de keizer van ondergeschikten en men moet zich afvragen of die kritiek altijd en in alle gevallen wel als objectief mag worden beschouwd. Wilhelm was geen gemakkelijke man en zeer veeleisend en het moet voor zijn ondergeschikten niet altijd een onverdeeld plezier zijn geweest onder hem te dienen. En natuurlijk was de keizer zelf ook schuldig aan het slechte imago dat hij in de loop der jaren had opgebouwd. Zijn soms zeer provocerende taal, zijn arrogantie, wispelturigheid en zijn soms ook inderdaad onverstandige uitingen gaven vaak voedsel aan de negatieve beoordeling van zijn karakter en persoon.
Het eventueel niet functioneren van de keizer en de mogelijke foute beslissingen gedurende zijn meer dan 25-jarig keizerschap kunnen echter zeker niet vanuit een beweerd geestelijk onvermogen worden verklaard.
Moeten we nu dus aannemen dat alle informatie over Wilhelms labiliteit, rusteloosheid en negatief beoordeelde karaktereigenschappen maar naar het rijk der fabelen kan worden verwezen. Het antwoord daarop is natuurlijk; neen! Wilhelm was, zeker naar huidige maatstaven gemeten, wel degelijk een nogal excentrieke man zoals overigens veel van zijn mede-monarchen in het licht van de hedendaagse tijd nogal excentriek overkomen. Veel van de hem toegedichte karaktergebreken waren in min of meerdere mate zeker aanwezig
Maar wel moet worden vastgesteld dat al zijn al dan niet vermeende en werkelijke gebreken in de loop van de oorlogsjaren vooral door een gigantische geallieerde propaganda dusdanig zijn uitvergroot dat er een karikatuur van de werkelijkheid ontstond, een karikatuur die een eigen leven is gaan leiden en nog steeds opgeld doet. Het is het doel van dit artikel om te proberen die indruk toch wat te relativeren en tot een wat objectievere beoordeling van Wilhelm ll als mens en keizer te komen.

Daartoe dienen we na te gaan of de kritiek op zijn daden en beslissingen inderdaad in alle gevallen wel steeds gerechtvaardigd was en of deze werkelijk, zoals beweerd, oorzaak of mede oorzaak zijn geweest van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die keizerrijken en koninkrijken van de aardbodem deed verdwijnen en ruim 30 miljoen slachtoffers tot gevolg had.


Noten
1 Röhl.J., Wilhelm ll. Die Jugend des Kaisers 1859-1888. (München 1993)
vol.1.p466-493.
2 Goodspeed.D.J., The German Wars 1914-1945 (London 1978) p.34.
3 Massie. R.,Castles of Steel (New York 2003) p.9.
4 Gorlitz.W., (h.a) Der Kaiser (Berlin 1965)
5 Lieven,D.C.B., Nicholas ll, Emperor of all the Russians.(London 1993) p.99.
6 Parker.A., The Kaiser (London 1978) p.3.
7 Rheinhaben.W., Kaiser, Kanzler (Mainz 1968) p.21.
8 Kohut.Th., William ll and the Germans (New York 1991) p.43
9 Röhl.J., Kaiser Wilhelm ll, Eine Studie über Cäsarenwahnsinn (München 1989) p.31-36. Clark.C., Kaiser Wilhelm ll.(London 2000) p.20.
10 Albertini.L., The Origins of the War of 1914. Vol 1 p.160 (voor een parallelle opinie over de geestelijkegesteldheid van koningin Wilhelmina, zie; Nieuwenhuizen.van,B., Wilhelmina, p.37)
11 Röhl.J., Wilhelm ll. P.1169.
12 Ibid. .p.1181
13 Röhl,J., Kaiser Wilhelm ll, Eine Studie über Cäsarenwahnsinn . p.31-36,Clark.C. Kaiser Wilhelm ll (London 2000) p.20.
14 email, Miller.Dr.G., aan Andriessen 9-3-05.
15 Kohut.Th., William ll and the germans (New York 1991) p.250.e.v.
16 Ibid.
17 Schulte Nordholt.J.W., Woodrow Wilson (Amsterdam 1990) p.312.
18 Clark.C., ’ Kaiser Wilhelm ll (London 2000)
19 Ibid.. p.20.
20 Röhl J., Deutschland ohne Bismarck. p.195p.
21 Clark.C. Wilhelm ll. p.20/21.
22 Ibid. .p.21.
23 Geop Epoch (magazine) febr/mrt 2004.
24 Dr. Geoffrey Miller in email aan Andriessen 24/2/05.
25 Dr. J. Hofman-in email aan Andriessen, april 2005.
26 Röhl.J., Casarenwahnsinn p.14-15
27 Freud.S & Bullitt.W.C., Thomas Woodrow Wilson (London 1967) p 228 ev.
28 New York Times Current History, vol 1 p.507.ev.
29 Müller,von.G.A., Der Kaiser (Berlin 1965, herausgabe) p 29
30 Ibid..p 159)
31 Dugdale.E.T.S ed., The growing antagonism 1898-1910, German diplomatic documents (London 1930) p.113.
32 Fay.S., The Origins of the World War (New York 1932) Vol.1. p.305.
33 New York Times dd 8/6/13 Vol.1.
34 Manger.Dr.J.B., De Triple Entente, Rapport voor het Ned.Comité tot onderzoek van de oorzaken van den Wereldoorlog.(Utrecht 1934) p.124.
35 N.M.Butler, in New York Times van 8 /6/13)
36 Taft. in New york Times van 6 en 8 juni 1913)
37 Nintsjitsj,M., La crise Bosniaque 1908-1909. (Paris 1937) geciteerd door Siccama.p.50 noot 35
38 Bülow.von.B., Denkwürtigkeiten (Berlin 1930) vol 1.p.348,
_________________
J.H.J.Andriessen

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:49
Bericht: #3
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Peter Riemersma

Het betoog van de heer Andriessen is de vertrouwde (propagandistisch getoonzette) boodschap uit zijn boek Kaizer Wilhelm II, Mythe en Werkelijkheid, 2007. De heer Andriessen geeft zich veel moeite om de keizerlijke waardigheid van Wilhelm II hoog te houden tegen alle kritische benaderingen van diens persoonlijkheid en optreden. Hij overlaadt zijn lezers met citaten van één of twee zinnen die het tegendeel moeten bewijzen. Maar al die gunstige citaten zijn uit hun verband gelicht en in die citaten is geen andere lijn te ontdekken dan dat zij Wilhelm een aantrekkelijker imago moeten meegeven. Al met al wekken ze de indruk van een kruiwagen los zand dat de vermeende karaktermoord op de laatste Duitse keizer moet bedekken.
Niet dat het geen indruk maakt. O, zeker werpt zijn verhaal de vraag op of er werkelijk sprake is van mythevorming. En of aan de andere kant degene die het woord ‘mythevorming’ in de mond neemt, niet onvermijdelijk een nieuwe mythe kweekt. (Welke filosoof geeft daar zulke mooie voorbeelden van ? Sloterdijk?) Zoveel ijver en gretigheid moet toch geduid worden als nieuwe -inderdaad- mythevorming, nu door Andriessen.

Een gedegen analyse ontbreekt in het aangehaalde boek over de rol, de autoriteit, de formele bevoegdheden en de werkelijke macht (samengenomen: de positie) van Wilhelm II in het Duitse politieke systeem en hoe dat systeem en daarmee ook Wilhelms betekenis in de loop van de oorlog andere verhoudingen oplevert.
Ik verwacht niet dat Andriessen mijn suggestie overneemt om de boeken van de betrekkelijke buitenstaander, James W. Gerard, indertijd Amerikaanse ambassadeur in Duitsland, te lezen. En natuurlijk moet men deze boeken ook weer niet onvoorwaardelijk geloven, geschreven als zij zijn toen Amerika inmiddels Duitslands tegenstander op het slagveld was geworden. Ik noem Gerard omdat hij uitvoerig schrijft over het Duitse politieke syteem en natuurlijk ook over de keizer. In zijn ogen is Wilhelm intelligent in de zin van het kunnen doorzien hoe dingen ‘werken’. Het is de slimheid die de intrigant nodig heeft om zich bijvoorbeeld anders voor te doen en de eigen beeldvormiong te beinvloeden. Gerard geeft als voorbeeld van dat laatste dat Wilhelm al maanden voor de werkelijke uitbarsting van de oorlog te pas en te onpas in woord en geschrift zegt de vrede te willen dienen. Maar, zegt Gerard, in hun eerste ontmoeting is Wilhelm ook al heel duidelijk over de grote mate waarin hij militaristisch ‘angehaucht’ is. Hij noemt Napoleon, Frederik de Grote, Julius Caesar, Alexander de Grote en Theodoor de Grote als zijn voorbeeldige leermeesters. De grootste veroveraars die de wereld (tot dan toe) ooit gezien heeft.
Anderen geven vergoeilijkend commentaar: dat was om een grote borst op te zetten en te imponeren; on-keizerlijk en eerder kinderachtig maar niet erger dan dat.

Genoeg stof tot nadenken, inderdaad. Een coherente persoonlijkheid was Wilhelm niet en zijn intelligentie bleef onvruchtbaar voorzover hij ooit heeft willen zoeken naar duurzame oplossingen voor de lange termijn om daarvoor vervolgens met volharding en toewijding een koers uit te zetten en die te realiseren. Hij was veeleer een man van het moment, van zijn opvoeding, van zijn tijd, gevangen in de spanningen van dat tijdsgewricht.
Hoewel de heer Andriessen een korte passage opneemt waarin hij zegt open te staan voor discussie is de verbetenheid waarmee hij het blazoen van Wilhelm schoon denkt te vegen geen aanmoediging voor een dergelijke discussie. Maar wie weet.
Ik wil twee aantekeningen maken bij de rederingen van Andriessen in bovenstaande bijdrage aan dit forum. Later de kwestie of Wilhelm nu vooral vredelievend of juist nogal krijgslustig was. Maar nu eerst

1. Was Wilhelm krankzinnig?
In het stuk waarop Andriessen lijkt te reageren komt die notie niet voor. Toch gebruikt Andriessen zelf tienmaal het woord krankzinnig(heid) om te kunnen aangeven hoe vals andere critici Wilhelm bejegenen.
En inderdaad, verschillende biografen speculeren over de geestelijke gezondheid van Wilhelm. Dat doen zij vanwege zijn opvallend onsamenhangend gedrag. De diagnose ‘krankzinnig’wordt eigenlijk niet gesteld, zeker niet door deskundigen. Daarmee zou de kous toch af kunnen zijn, Andriessen? (Ik laat ‘de heer’ nu verder maar weg, mijn waardering voor hem en zijn werk is er niet minder om.)

Andriessen maakt wel een erg uitvoerige omweg om tot die conclusie te komen door stuk voor stuk iedereen aan te halen die iets onaardigs heeft gezegd over de geestelijke vermogens van Wilhelm.
Neemt niet weg dat werkelijk iedereen die hem van nabij heeft meegemaakt of die verslagen hebben bestudeerd van dergelijke ontmoetingen dan wel publieke optredens van de keizer hebben geanalyseerd, in meer of minder verstrekkende bewoordingen een beeld van Wilhelm geven waarin hij onvoorspelbaar, wispelturig, niet geconcentreerd, stemmingsgevoelig, licht beinvloedbaar, nu eens diepzinnig dan weer oppervlakkig en meer daarvan is.

Hij is beslist niet dom –niemand die dat beweert- , maar ook niet intelligent in die zin dat hij weliswaar van sommige zaken die zijn belangstelling hebben, goed op de hoogte is maar dan daarvan weer niet de volle draagwijdte of de ingewikkelde contekst onderkent. Veel formele schoolopleiding heeft hij niet gehad maar ongetwijfeld heeft hij het nodige opgestoken van zijn tutors. Hij heeft zijn gesprekspartners met een zekere regelmaat verbaasd met kennis van zaken over de onderwerpen die hijzelf aansneed. Hij had kennelijk een brede belangstelling, niet alleen voor politiek en geschiedenis maar ook voor technische innovaties. Dat blijkt uit al die verslagen. Hij is meer een man van weetjes dan van een studieuze analyse. Hij pikt makkelijk iets op en kan er kennelijk geestdriftig over vertellen maar er is geen vervolg, geen toepassing. Althans zo begrijp ik dat, ook van de verder nogal toegeeflijke biograaf Christopher Clark.

Hij is niet conservatief, maar ook niet progressief in die zin dat werkelijke vooruitstrevendheid als levenshouding niet bij hem wordt aangtroffen. Zijn reactionaire contacten houdt hij aan naast die met mannen die vooraanstaande posities innemen in de economische en industriële ontwikkeling van Duitsland.
Zijn probleem lijkt vooral ter zijn dat niemand goed weet wat hij aan hem, Wilhelm, heeft. Hij wordt soms oprecht geprezen, dan weer krijgt hij fundamentele kritiek. Hij overschat zichzelf en is naief maar ook onderschat hij soms zijn macht en invloed en wendt hij die niet aan.
Het is werkelijk opvallend dat zoveel schrijvers in zoveel boeken zich zo uitgebreid het hoofd breken over de vraag wat zij nu van Wilhelm II moeten vinden. Dat pleit zeer beslist niet voor hem, hoe ‘veelzijdig’ hij kennelijk ook is en ook al zeggen zij allemaal dat hij ook intelligent is (maar niet op welke wijze).

Ik vind het niet vreemd dat er psychische aandoeningen gehypothetiseerd worden maar ik ben het met Andriessen eens dat het eerder zijn gedrag is dat door grootspraak, tegenstrijdigheid en onvoorspelbaarheid verwarring zaait dan dat we naar karakterfouten zouden moeten zoeken.
De echte vraag is uiteraard hoe zijn optreden als keizer van een groot en belangrijk land in een periode van politieke gisting beoordeeld moet worden.
Zonder al die biografen nog eens de revue te laten passeren, zal ook de toch wel zeer welwillende biograaf Christopher Clark (ik las zijn boek in het Duits Wilhelm II Die Herrschaft des letzten Kaisers, 2000 / 2009), de conclusie kunnen delen dat Wilhelm nooit van z’n leven zou kunnen voldoen aan een denkbeeldige profielschets voor een keizer aan het begin van de twintigste eeuw voor Duitsland. De denkbeeldige commissie die tot een denkbeeldige benoeming zou moeten zien te komen, zou -Wilhelm afzettend tegen de gevraagde competenties in die profielschets- unaniem de voorkeur aan een ander geven.
Zou Wilhelm een assessment hebben moeten doen, men moet ernstig vrezen voor de beoordeling of hij geschikt bevonden wordt voor de functie dan wel een gevaar voor de goede vervulling van de functie.

Er is één merkwaardige uitzondering. Dat is de Burgess die door Andriessen tot grondlegger van de politieke wetenschappen is uitgeroepen. Die man is zó idolaat van de keizer, zijn gestalte, zijn ogen, zijn .... alles dat je tenen er van krommen: “Again I must say that I have never met a ruler, in monarchy or republic, in whom genuine democratic geniality was so predominant charistic”.
En passant prijst hij hij de opofferingsgezindheid van de Germanen en hun nobele edelmoedigheid als kardinale deugden.
Nou ja, hij is overleden in 1931 zodat hij niet meer de teleurstelling heeft hoeven meemaken dat deze nobele Germanen industriële concentratiekampen bouwden om een heel volk te vergassen en iedereen te vermoorden die minder dan deze Burgess ophadden met de Germaanse edelmoedigheid.
Het boekje waar Andriessen en ik uit citeren is overigens gepubliceerd in april 1915. De oorlog was nauwelijks opgang en Burgess verzet zich tegen militaire leveranties van de VS aan Engeland.
Die Burgess was in zijn werkzame leven minder de charlatan dan die hij is als schrijver van het aangehaalde boekje –hij is dan al 71- , maar dat krijg je ervan als je al te dicht op je onderwerp zit en ermee bevriend bent geraakt. Burgess positioneert zich als een huisvriend van Wilhelm.
Burgess studeerde lange tijd aan drie Duitse universiteiten en was eenvoudig een groot fan van Duitsland en de keizer. Pas na Burgess’ overlijden feliciteerde de door Burgess tot superdemocraat gebombardeerde Wilhelm Hitler met zijn machtsovername. Waarmee Burgess (erelid van de Germanistic Society of America) zijn wetenschappelijke pretentie posthuum te grabbel gooit.

Om maar met de conclusie af te sluiten dat Wilhelm een weinig consistente man was wiens gedachten alle kanten konden opgaan.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:49
Bericht: #4
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Hans Andriessen :

Geachte heer Riemersma.

Allereerst dank voor uw reactie die door mij erg op prijs wordt gesteld.
Betekent dit, dat ik het overal met u eens ben? Neen, natuurlijk niet maar dat is m.i. ook helemaal niet noodzakelijk.
Sta mij toe enkele van uw kritiekpunten te weerspreken.

1: U zet de toon met uw constatering dat: mijn betoog “de vertrouwde (propagandistisch) getoonzette boodschap is uit mijn boek “Keizer Wilhelm II, Mythe en Werkelijkheid” en dat ik mij “veel moeite geef om de keizerlijke waardigheid hoog te houden tegen alle kritische benaderingen van diens persoonlijkheid en optreden”.

Reactie: In mijn boek heb ik geprobeerd om na de overweldigende hoeveelheid negatieve informatie die in nu al bijna een eeuw, over Wilhelm II is uitgestort, toch eens na te gaan of er mogelijk ook nog iets positiefs over de man te zeggen was. Dat, zo heb ik wel gemerkt, is geen populaire bezigheid en ze wordt me dan ook niet door iedereen in dank afgenomen. Een eenmaal gevestigde mening laat zich niet zo maar tegenspreken. Dat wekt nu eenmaal weerstand op.

In mijn voorwoord schreef ik dan ook:

“De ervaring leert dat elk positief bericht over de keizer onmiddellijk wordt gepareerd met een groot aantal citaten uit de over hem bekende literatuur die anders uitwijzen. Ik realiseer me dan ook dat het ijdele hoop zal zijn de diep gewortelde meningen over de persoon Wilhelm II in slechts enkele publicaties positief te kunnen beïnvloeden”.

Welaan, uw reactie bevestigt die vrees maar daar hoeft u niet wakker van te liggen want u bent daarmede slechts een van velen.

2: U stelt verder dat ik de lezer dan overlaadt met citaten van een of twee zinnen die het tegendeel moeten bewijzen.

Reactie: U gaat dan jammer genoeg stilzwijgend voorbij aan het feit dat ik vóór dat ik dat doe, uitgebreid met citaten kom waarin de “anders denkende partijen” ruimschoots aan de beurt komen. Ik laat luid en duidelijk en uitgebreid de mening van Wilhelms tegenstanders horen De mening van deze “anders denkenden”worden door mij dus echt niet weggemoffeld.
Pas daarna waag ik het wat meningen van personen te citeren, personen die Wilhelm in een positiever daglicht stelden en, wederom, dat wekt onmiddellijk weerstand op. “Hoe durft die Andriessen!. Iedereen zegt toch dat Wilhelm II niet deugde!!!!

3: U “vreest”dan dat ik uw suggestie om de boeken van een werkelijke buitenstaander,”(maar dat was ik eigenlijk ook) James.W.Gerhard, te lezen, niet zal overnemen.

Reactie:Daarin vergist u zich. Ik neem aan dat u de boeken van James W.Gerard (zonder H) bedoelt maar indien u even in de bibliografie zou hebben gekeken dan had u kunnen zien dat zijn boek prominent genoemd wordt. Overigens was Gerard echt geen buitenstaander. In zijn boek “My four years in Germany” (1917) laat hij niet veel over van de keizer maar in het voorwoord dat hij bij “The kaiser on trial”van G.S.Viereck (1937) schreef, sloeg hij een geheel andere toon aan. Hij schreef ik citeer: ” I believe that the old gentleman at Doorn has been too harhly treated by modern historians”. Tot zover wat mr.Gerard betreft.

4: U stelt dat er eigenlijk niemand was die Wilhelm krankzinnig heeft genoemd.

Reactie: Dat is niet juist en om dat aan te tonen liet ik mijn boek beginnen met een hoofdstuk over “de beweerde krankzinnigheid van Wilhelm”(blz. 39). Ik begon met een citaat van Dr.Alan Sked LSE die de keizer “mad”noemde (Engels voor krankzinnig toch?) Op p. 44. 45, 46, 47, 48 en 49 citeer ik dan “experts”en “historici”die wel degelijk hun argumenten over Wilhelms psychiatrische stoornissen aanvoerden en om het hardst probeerden aan te tonen dat Wilhelm psychisch gestoord was (in de volksmond noemt met dat dan ‘krankzinnig’.) Zonder overigens daar voor een medisch onderbouwd rapport over te noemen.

5: U stelt dan voorts dat: ” indien Wilhelm een assessment zou hebben moeten doen”, men ernstig zou moeten vrezen voor de beoordeling inzake zijn geschiktheid voor de functie.


Reactie:Tja, dat is heel goed mogelijk maar dat geldt voor meer staatshoofden uit die tijd zoals de Tsaar, Edward van Engeland, Leopold van België, Poincaré van Frankrijk, etc.etc. En zelfs in onze tijd worden dit soort vraagtekens bij sommige huidige staatshoofden nog regelmatig gezet, dus de facto is er niets nieuws onder de zon.

6: U citeert dan Burgess en acht hem een onbetrouwbare bron.

Reactie: Hoewel dat altijd mogelijk is en het best mogelijk is dat hij later teleurgesteld zou zijn geweest is dat toch niet echt een argument.
Feit is wel dat toen hij zijn opmerkingen plaatste, men hem dit in de USA onmiddellijk zeer kwalijk heeft genomen. Ineens was Burgess niet meer de gerespecteerde en onkreukbare figuur zoals men voorheen graag kende.
Zo verging het ook de bekende en voor de oorlog internationaal gerespecteerde en bejubelde onderzoeker E.D.Morel (de man die het Congobeleid van de Belgische koning Leopold aan de kaak stelde) die men veroordeelde toen hij, na het uitbreken van de oorlog, de Britse regering verweet Duitsland de schuld te geven terwijl men zelf ‘boter op het hoofd’ zou hebben, De ook thans nog gerespecteerde en gewaardeerde Morel werd toen echter in de gevangenis geworpen.

U verwijt me mijn argumenten niet te onderbouwen maar ik onderbouw ze naar mijn mening juist zeer goed. Ik geef eerst de tegenstanders ruimschoots het woord en kom daarna pas met mijn tegenargumenten en onderbouw die d.m.v. citaten en bronvermeldingen.
Het valt me op dat u wel kritiek levert maar die kritiek dan weer niet onderbouwt en dat is jammer want dan wordt een discussie inderdaad problematisch.

Tenslotte is het u waarschijnlijk ontgaan wat ik op p.63 van mijn boek schreef. Ik zal dat voor uw referentie nog even herhalen. Ik schreef:

“Moeten we nu aannemen dat alle informatie over Wilhelms labiliteit, rusteloosheid en negatief beoordeelde karaktereigenschappen naar het rijk der fabelen kan worden verwezen? Het antwoord daarop is natuurlijk; NEEN!.
Wilhelm was, zeker naar huidige maatstaven gemeten, wel degelijk een nogal excentrieke man, zoals overigens veel van zijn medemonarchen in het licht van de hedendaagse tijd nogal excentriek overkomen. Veel van de aan hem toegedichte karaktergebreken waren in min of meerdere mate zeker aanwezig. Maar wel moet worden vastgesteld dat al zijn al dan niet vermeende en werkelijke gebreken in de loop van de oorlogsjaren vooral door een gigantische geallieerde propaganda dusdanig zijn uitvergroot dat er een karikatuur van de werkelijkheid ontstond, een karikatuur die een eigen leven is gaan leiden en nog steeds opgeld doet. Het is het doel van mijn boek te proberen die indruk toch wat te relativeren en tot een wat objectievere beoordeling van Wilhelm II als mens en als keizer te komen”.


En dat gewaardeerde heer Riemersma was mijn enige bedoeling. Helaas moet ik constateren dat dit voor wat U betreft (nog) niet is gelukt.

Nogmaals dank voor uw reactie en gaarne tot verdere discussie bereid.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:50
Bericht: #5
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Peter Riemersma

2. Was Wilhelm vredelievend of juist oorlogszuchtig?

In het vervolg op het voorgaande zou je moeten zeggen dat hij beide was maar geen van beide consequent. Albertini, ook door Andriessen aangehaald, heeft drie dikke delen geschreven The origins of the war, 1952 / 2005, staat kritisch tegenover Wilhelm maar komt aarzelend tot de conclusie dat Wilhelm diep in z’n hart graag de pauken roert ter meerdere glorie van Duitsland, zijn eer en zijn macht, maar diep in zijn hart liever de vrede bewaart. Maar hij gaat daar dan weer niet voluit voor. Zijn dolle uitspraken en zijn nijdige opmerkingen in de marge van hem voorgelegde documenten lijken toch weer vaak op het tegenovergestelde.
Niemand betwist dat hij ongelukkige uitspraken kon doen die zijn reputatie vestigden als krijgslustig. IJdelheid of niet al die uniformen staan hoe je het ook wendt of keert voor zijn engagement met leger en vloot. Anderzijds is ook duidelijk dat hij gevoelig was voor argumenten uit de civiele kringen van de handel en industrie dat een Europese oorlog Duitsland ook in gevaar zou kunnen brengen. Bovendien lijkt hij een weifelaar die gauw het overzicht kwijtraakte en dan liever een beslissing uitstelde of er al te driftig één forceerde. Hij schrok zelfs op het allerlaatste moment nog terug voor de invasie van de Duitse legers in België en Frankrijk, maar Moltke zei hem doodleuk ‘jammer maar te laat’.
Albertini heeft er dan ook wel begrip voor dat Wilhelm er ‘tussen’ zit: tussen de haviken (militairen en politici) die al jaren lang klaar staan om de oorlog te beginnen en degenen die hem waarschuwen voor de chaos, de verwoesting en de vijandschap, en dat Wilhelm in die positie eigenlijk te weinig steun krijgt van zijn ministers en kanselier. En dat brengt hem dan tot de uitspraak die Andriessen aanhaalt dat Wilhelm in het zoeken naar een uitweg intelligenter is dan zijn entourage. Overigens zonder die uitweg te vinden. Hij stelt met ‘instemming’ van Albertini voor dat Oostenrijk Belgrado bezet en bezet houdt tot Servië Oostenrijk voldoening heeft gegeven. (Ik begrijp trouwens niet waarom Albertini dat nou zo’n creatieve oplossing vindt (deel II, hoofdstuk XI) en het komt er uiteraard ook niet van.

In zo’n kort bestek als deze reactie op een lang stuk van Andriessen past het niet met een definitief klinkende uitsmijter te eindigen over Wilhelm als schuldige, medeschuldige of onschuldige aan het uitbreken van de oorlog.
Enerzijds is duidelijk dat zeker Wilhelm niet compromisloos heeft geijverd voor het bewaren van de vrede. Anderzijds is ook niet één twee drie vast te stellen of hij de oorlog definitief had kunnen voorkomen als hij daar echt voor gegaan was. In de zomer van 1914 lijkt hij die oorlog te hebben kunnen afwenden, maar het blijft in de schoot der goden verborgen of bijvoorbeeld een militaire machtsovername (die in 1916 toch eigenlijk wel heeft plaats gevonden) hem niet tot een marionet zou hebben gemaakt die gedwongen zou worden alsnog voor de oorlog te tekenen.

Nog even terug naar juli 1914. Op welk moment is door wie besloten om te mobiliseren cq de troepen in beweging te zetten. Had Wilhelm kunnen zeggen: ik geef daarvoor geen toestemming?
Ik heb nog eens gezocht in Hamilton en Herwig, Decisions for war, 1914 – 1917, maar de preciese bijeenkomst waarin het ultieme besluit genomen is, staat er niet in. Geiss stelt vast dat Duitsland sowieso een onbeholpen of eigenlijk geen staatsrechtelijke structuur heeft voor de politiek-militaire besluitvorming met deze geweldige reikwijdte, en dat er ook niet een 'Kronrat' of zoiets aan te pas gekomen is om de afwegingen te maken voor het al of niet afgeven van een blanco cheque, waartoe welbeschouwd Wilhelm in zijn pure eentje heeft besloten. Pas later diezelfde dag belegde hij een in feite onofficiële bijeenkomst waarin hij vroeg het met zijn besluit eens te zijn.

Als ik het even kort mag samenvatten in grote lijnen leefde er in Duitsland in de hoogste kringen een overduidelijke wens om Duitslands macht en positie indrukwekkend te demonstreren. Met een oorlog tegen aartsrivaal Frankrijk. Moltke bijvoorbeeld die al vanaf begin juli van een ‘wereldoorlog’ sprak, verklaarde dat dit het moment waarop Duitsland de rol moest vervullen waarvoor het was voorbestemd (sic) om leiding te geven aan de vooruitgang van de wereld. Het Duitse rijk zou volgens hem zijn opdracht ten overstaan van de beschaving niet kunnen uitvoeren zonder conflicten om de oppositie en de beperkingen van deze historische tijd te kunnen overwinnen; dat kan alleen door middel van een oorlog.
En die militairen waanden zich daarenboven ook in staat deze idee te realiseren vanwege dat Schlieffenplan dat tot op divisieniveau in punten en komma’s uitgewerkt op tafel lag. Al heel lang.
Hamilton en Herwig halen de legendarische, explosieve stelling van Fritz Fischer aan dat relevante documenten uit de archieven zonneklaar laten zien dat Duitsland in 1914 voor niet minder ging dan ‘een greep naar de wereldheerschappij’ ten strijde trok. Maar zij zijn het niet eens met Fischer, want –zeggen zij- dan had er een een zorgvuldige planning moeten zijn, een gedetailleerde voorbereiding en gecoördineerde actie en daarvoor zou in Duitsland een ferme en resolute monarch hebben moeten optreden die zijn constitutionele rol als coordinator van het buitenlands beleid en militaire zaken met verve gestalte zou moeten hebben geven. En er wás in Duitsland toen geen rationele en efficiënte regering. Het was daarentegen een ‘polycratische chaos’ in het regerende politieke systeem van het Duitse rijk.
Maar ik denk dat H. en H. zich hier verkijken op de rol die het Schlieffenplan in het denkraam van de besluitnemers speelde. Die dáchten namelijk wel degelijk dat zij met dat plan en de uitwerking daarvan voldaan hadden aan de voorwaarden zoals H. en H. die schetsen voor een geslaagde operatie. Dat H. en H. die voorbereiding achteraf niet ideaal vinden, doet er niet toe.

Die ‘wereldheerschappij’ is wel wat veel van het goede, maar Fischer toont wat mij betreft wel degelijk aan dat de militaire top in Duitsland al heel lang klaar stond voor een grootschalige Europese oorlog. En dat de keizer hen daarin voor hun gevoel steeds heeft gesteund. De opbouw van leger, vloot, aanpassing van spoorwegen en stations, trainingen, oefeningen, manoeuvres, - niets legde Wilhelm het militaire establisment in de weg, en altijd was hij in de buurt om zich in zijn keizerlijke waardigheid te laten bevestigen en andersom dat leger te bevestigen in hun ‘historische betekenis voor de macht en eer van Duitsland’.

Terug naar de ‘Potsdamer Rat’ (Clark) of quasi-‘Kronrat’ (Geiss). De fase waarin Duitsland op het hoogste niveau op 27 tot en met 31 juli verkeert is dan dat de minister van oorlog en de hoogste legerleiding staan te popelen en dat het wachten is op een politiek groen licht. Moltke deed niets anders dan bellen, memoranda schrijven en in tête à tête’s zijn ‘nu of nooit’ te propageren. En daar nu moesten de vijf besluitnemers (adjudanten daargelaten) Wilhelm, Bethmann Holweg, Zimmermann (minister van buitenlandse zaken), Falkenhayn (minister van oorlog) en Lyncker (chef van het Pruisische militaire kabinet) weerstand aan bieden of gevolg aan geven. De ‘druk’ lag dus bij Wilhelm en Bethmann Hollweg.

H. en H. postuleren dat niet tóen maar eerder 5 en 6 juli het cruciale momentum vormden. Toen ging het erom of Duitsland in weerwil van het risico van ‘Europese complicaties’ Oostenrijk zou steunen wanneer die Servië zou aanvallen. De blanco cheque dus. Op 6 juli belt Wilhelm de Generale Staf om te vertellen dat hij die onvoorwaardelijke steun heeft toegezegd. Hij krijgt Moltke zelf niet aan de telefoon maar een ondergeschikte, wiens naam ook overgeleverd is, Hermann von Bertrab. Op 6 juli dus, alsof hij er nog een nachtje over wilde slapen want hij had zijn besluit 5 juli in de namiddag meegedeeld aan de vier andere ‘leden’ van de besluitvormerscoterie, de Potsdamer Rat.
Overigens had de Oostenrijkse ambassadeur met wie hij op 5 juli uitvoerig over de Duitse steun sprak, de keizerlijke toezegging toen al aan zijn Weense hoofdkwartier doorgegeven. (Clark pagina 267, H. en H. pagina 84)
Vermeldenswaard nog misschien dat Bethmann Hollweg dacht dat alles voorbij zou zijn als in veertig dagen Parijs bereikt zou zijn (als in 1870) maar dat Zimmerman zich er hardop van bewust was dat dit een grote vooralsnog Europese oorlog zou worden. Zoals ook Wilhelm welbewust dat risico nam. Immers van Rusland leek niets te duchten en in Engeland zou wel wijzer moeten zijn. Wilhelm heeft alle mogelijke complicaties wel degelijk overwogen, verschillende malen.
Dat is inzoverre merkwaardig (en door Clark over het hoofd gezien) dat al die militaire metgezellen van Wilhelm dit besluit (de blanco cheque) kennelijk ook als de onvermijdelijke opmaat naar de invasie in Frankrijk zagen. ‘Europese complicaties’, wat u zegt.
Maar uit het vervolg kan je toch weer de conclusie trekken dat het leger nu wel wist waar het aan toe was maar dat Bethmann Hollweg (hij zeker) en Wilhelm toch bleven tobben. Bethmann Hollweg meende te weten dat potentiële tegenstanders ook wel inzagen dat Duitsland als het de borst nat zou maken, in de kortste keren in Parijs zouden zijn. Naar zijn inzicht gaf dat wereldwijde inzicht de Duitse diplomatie zo’n sterke arm. Hij dacht dus nog steeds de krisis te kunnen managen. Al zijn gepoker tot het grote moment daar is, laat ik maar even buiten beschouwing.
Zeker is dat Bethmann Hollweg alles uit z’n handen liet vallen, niets meer ondernam en geen inbreng meer hand toen hem (op 28 juli) duidelijk werd dat Engeland niet neutraal zou blijven. Op diezelfde dag zegt Wilhelm tot verbijstering van de militaire top dat hij niet langer oorlog wil, met zijn neus gedrukt op de harde werkelijkheid dat Rusland een gedeeltelijke mobilisatie had afgekondigd. Alsof hij had gedacht dat hijzelf aan de touwtjes trok en net als in eerdere crises op het moment surprème de Duitse keutel zou kunnen intrekken die hij hoogst-persoonlijk op 5 juli gefabriceerd had. Niet veel later op diezelfde draait hij volgens Falkenhayn in een niet lang geleden opgedoken dagboek weer als een blad aan de boom om, en besluit ten gunste van oorlog.
Al met al H. en H. maken gehakt van de theorie dat we met z’n allen de oorlog ‘ingestruikeld’ zijn.

Als Bethmann Hollweg, Zimmermann en Falkenhayn onder aanvoering van de hoogste ‘arbiter’ Wilhelm (uiteindelijk) geen oorlog hadden gewild, had die op 5 juli en eventueel ook nog op 27 of 28 juli voorkomen kunnen worden. Uit alles blijkt dat de militaire bevelhebbers afhankelijk waren van de besluiten van Wilhelm, in samenspraak met zijn voornaamste twee ministers.
Nou produceert Andriessen straks met bewondenswaardig gemak een schier eindeloze reeks telegramteksten en dagboekzinnen waaruit dan de conclusie moet worden getrokken dat het Duitsland ook maar is overkomen en dat Wilhelm uitsluitend de vrede toegedaan was. Maar mijns inziens laat een politicologische analyse (als ik dat grote woord mag gebruiken) niet toe dat al die telegrammen en achteraf-dagboek-meningen tekstueel allemaal even duidelijk en belangrijk zijn. Dat zij staan voor feiten. Welnee, al die telegrammen proberen anderen iets te laten denken, een beeld ten scheppen van zichzelf of de tegenpartij, ware bedoelingen te maskeren, te paaioen, op te zetten, kortom te intrigeren. Het diplomatieke spelletje. Tuurlijk, als zodanig beslist interessant maar voor de vraag wie heeft nu echt wat besloten, wie nam onomkeerbare besluiten, welke rechtstreekse gevolgen hadden de echte besluiten, – daarvoor moet je niet in Plato’s grot vol schimmige schaduwen (telegrammen) zijn, maar daarbuiten op het echte podium met een analyse van wat er werkelijk gebeurt op handelingsniveau en wat niet.

Wilhelm heeft niet op 5 en 6 juli gezegd. “Luister, Oostenrijk lost z’n eigen probleem maar op, ook als Rusland Servië te hulp komt.
En dan nog iets, Moltke, ik ben niet gediend van dat voortdurende gedram om dat Schlieffenplan uit te voeren en de kans te lopen dat Engeland het niet pikt dat de Duitse legers ineens hun bivak opslaan aan Het Kanaal.
Trouwens noch Frankrijk noch Engeland is klaar voor de oorlog als zij al zouden willen; dus zo groot is die dreiging helemaal niet. Dat Frankrijk en Rusland niet in staat zijn om ons te bedreigen gebruik je nota bene zelf als argument, Moltke, om te zeggen dat dit zo'n gunstig moment is.
Even niet zeuren dat de Fransen Elsas-Lotharingen weer terugwillen. Ik snap dat eerlijk gezegd wel, maar praktisch zijn ze alleen maar bang voor ons, en Engeland komt ze echt niet helpen als de Fransen zelf een aanvalsoorlog beginnen, hoor. Die Grey is wel een druiloor maar hij en dat kabinet waarin hij inzit, zijn echt niet gek.
Dus voor een preventieve ‘first strike’ heb jij geen enkel geldend argument. Nog even afgezien van dat neutraliteitsverdrag inzake België. Ik ben een man van eer en Pruisen heeft ervoor getekend en daar houd ik me aan.”

Dat heeft allemaal niet gezegd. Wel dit:
Oktober 1913, aan de Oostenrijkers: Ich gehe mit euch (tegen de Serven). Die anderen (Frankrijk, Rusland, Engeland) sind nicht bereit; sie werden nichts dagegen unternehmen. In ein paar Tagen müsst ihr in Belgrad stehen. Ich war stets ein Anhänger des Friedens; aber das hat seine Grenzen. Ich habe viel über den Krieg gelesen und weiss, was er bedeutet. Aber endlichkommt die Lage, in der eine Grossmacht nicht länger zusehen kann sondern zum Schwert greiffen muss. (Geiss, pagina 37)
2 Juli 1914, in de kantlijn van een memorandum: Wer hat ihm (Tschirsky, Duitse ambassadeur in Wenen) dazu (de Oostenrijkers tot rust en kalmte te manen om geen overhaaste stappen te nemen jegens Servië) gemächtigt?
Das ist sehr dumm! Geht ihn gar nichts an, da es lediglich Österreichs Sache ist, was es hierauf zu thun gedenkt. Nachher heisst es dann, wenn es schief geht, Deutschland hat nicht gewollt! Tschirschky soll den Unsinn gefälligst lassen! Mit den Serben muss aufgeräumt werden, und zwar bald. (Geiss, pagina 40)
5 Juli 1914, aan de Oostenrijkse ambassadeur: Deutschland werde Österreich-Ungarn auch beim Eingreifen Ruszlands rückhaltlos unterstützen. Nach meiner Meinung muss aber mit dieser Aktion (tegen Servië) nicht zugewartet werden. (Geiss, pagina 47)

De te beantwoorden vraag luidt derhalve of je schuld draagt aan een oorlog als je er je bondgenoot in duidelijke taal toe hebt aangezet, hem jouw onvoorwaardelijke steun toezegd, intussen een volkomen foute analyse maakt van wat de reacties van andere grootmachten zullen zijn, terwijl die er zoals voorzien in de plannen van de jouw welbekende militaire elite vervolgens toe zullen leiden dat het Duitse leger Luxemburg, België en Frankrijk binnenvalt.
Een keizer als gokker. Als slechte gokker.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:50
Bericht: #6
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Peter Riemersma :

Een (korte) reactie bij wijze van dupliek aan de heer Andriessen, zal ik over enkele dagen geven.
Vast dank voor de repliek, heer Andriessen.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:51
Bericht: #7
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Hans Andriessen :

Antwoord Hr. Riemersma 2


Allereerst dank voor uw reactie.

Zo’n lange reactie waarin veel onderwerpen worden aangestipt moet op de lezer toch wel wat verwarrend overkomen.
Ik zal dan ook trachten me tot de feiten te beperken:
U “verweet” mij in uw eerste reactie dat ik citaten etc uit hun verband licht en mijn stellingen niet onderbouw. Gelukkig is daar in uw 2e reactie geen sprake meer van.
U haalt Albertini aan die zich in bepaalde opzichten ook minder ongunstig uitlaat over Wilhelm. Ja, dat betoogde ik ook dus daar is weinig verschil van opvatting over tussen ons?

1: U stelt dan: “Hij (Wilhelm) schrok zelfs op het laatste moment terug voor de invasie van de Duitse legers in België en Frankrijk maar Moltke zei doodleuk , ‘jammer maar te laat’.

Reactie: Ja maar zo simpel was dat nu ook weer niet.
Allereerst zij opgemerkt dat Wilhelm, nadat hij op 2 augustus te 4.23 uur p.m een telegram ontving afkomstig van zijn ambassadeur in Londen, dat Engeland neutraal zou blijven,((bron: Deutsche Dok. Vol.3, p.562) Von Moltke, in bijzijn van- en in overleg met Bethmann Hollweg, bevel gaf de invasie in België en Luxemburg te stoppen en zich nog uitsluitend te richten op Rusland. Moltke protesteerde en ging terug naar zijn HQ waar hij een ‘nervous break down’ kreeg. Even later kwam het bevel ook schriftelijk binnen.
Wilhelm heeft dus wel degelijk getracht op dat moment de oorlog te stoppen en een wereldconflict te voorkomen.
Von Moltke zei ook niet ‘doodleuk’ dat het te laat was maar had slechts te gehoorzamen.
Toen echter Wilhelm enige uren later uit Engeland bericht ontving dat het een vergissing was en men niet neutraal zou blijven, heeft hij zijn bevel (moeten) herroepen.
Dus hier twee feiten: a) Wilhelm was op dat moment geen weifelaar en durfde een beslissing te nemen om oorlog te voorkomen. B) Moltke zei niet doodleuk dat het te laat was en had slechts te gehoorzamen of hij dat nu leuk vond of niet en inderdaad, dat vond hij niet leuk.

2: U komt dan met een theorie over de al dan niet bestaande mogelijkheid of Wilhelm wel of niet de oorlog had kunnen voorkomen en een beweerde militaire machtsovername in 1916 hem al dan niet tot een marionet zou hebben gemaakt.

Reactie: Alles is mogelijk maar dat is een “what/if” kwestie, interessant ,maar daar hou ik me liever niet mee bezig.
Ik denk dat hier ook de fout wordt gemaakt die nogal vaak voorkomt; men dient veel meer rekening te houden met alle omstandigheden en oorzaken die tot de oorlog hebben geleid. Men zou zich moeten afvragen wat de rol van de andere landen is geweest in de aanloop tot die oorlog. Was Rusland inderdaad zo onschuldig, hadden Frankrijk en Engeland dan alleen maar edele motieven, was de Russische algemene mobilisatie dan geen uiterst belangrijke factor bij de beslissing die men in Duitsland (moest) nemen?
Het antwoord op de schuldvraag kan echt uitsluitend en alleen worden beantwoord als men bereid is al die facetten uitputtend te bestuderen en in ogenschouw te nemen. Elke andere benadering is m.i. onwetenschappelijk en kan niet tot iets leiden.

Mijn conclusie- en ik heb dat verwoord in mijn boek “de andere waarheid” ; is dat Duitsland na 21 juli geen keus meer had en dat de Russische algemene mobilisatie, gericht tegen Oostenrijk-Hongarije EN tegen Duitsland, dat land geen andere keus meer liet.
Nogmaals; Elke beoordeling van de situatie, zonder de rol van alle betrokken landen te bestuderen, geeft geen oplossing van het vraagstuk en zal leiden tot verkeerde conclusies!.

3: U vraagt zich af door wie en waarneer besloten is om te mobiliseren en had Wilhelm kunnen zeggen; “ik geef geen toestemming”?.

Reactie: De beslissing werd genomen op 3 juli 1914 door Bethmann, Falkenhayn en Von Moltke na ontvangst van het telegram van Pourtales, de Duitse ambassadeur in Rusland, luidende:

General mobilization army and navy ordered. First day of mobilization 31 juli.”. (bron: Deutsche Dok. Vol 2, p.473)

De beslissing werd die zelfde dag door de keizer getekend.
In feite lag het nog iets anders. Er werd (nog) geen mobilisatie afgekondigd maar een “proclamatie van dreigend oorlogsgevaar”. (Kriegsgefahrzustand)
Dat hield in o.a in dat alles voor een mobilisatie gereed werd gemaakt terwijl Rusland een ultimatum ontving van 12 uur. Deze ‘proclamation of imminent danger’ betekende
Dat oorlog nu niet meer afwendbaar was Immers, het was een internationaal erkend axioma dat als een grootmacht (in dit geval Rusland) de algemene mobilisatie ( zulks in tegenstelling tot een beperkte mobilisatie) afroept, dit de meest definitieve beslissing tot oorlog betekent. Het was Rusland die deze beslissing nam en als eerste, nog vóór Oostenrijk en ook nog vóór Duitsland, de alg.mobilisatie uitriep en dit is meteen een antwoord op de vraag of Wilhelm zijn toestemming te mobiliseren nog had kunnen inhouden. Het antwoord is; ‘nee’ want Rusland (de vijand) had zijn troepen al aan de grens met Duitsland gereed staan.

4: Hamilton en Herwig noemen geen datum en Geiss over de staatsstructuur in Duitsland.

Reactie: Inderdaad noemt Hamilton en Herwig geen datum. De verklaring van Geiss over de staatsrechtelijke structuur in Duitsland is m.i. maar zeer ten dele juist en de opmerking dat Wilhelm in zijn pure eentje zou hebben besloten tot de ‘blanco cheque”is niet alleen pure onzin maar ook nog eens ,volgens die zelfde staatsrechtelijke structuur, een absolute onmogelijkheid. De keizer had die autoriteit helemaal niet!

5: U stelt dat er in bepaalde kringen in Duitsland de uitdrukkelijke wens leefde om Duitslands macht en positie uitdrukkelijk te demonstreren met een oorlog tegen aartsrivaal Frankrijk.

Reactie: Ach, er waren zeker in Duitsland kringen waar die gedachte leefde net zoals er in Frankrijk,Rusland en Engeland kringen waren die de wens hadden hun macht en positie uitdrukkelijk te demonstreren door Duitsland van de kaart te willen vegen en ik kan u daar legio voorbeelden van geven.
Von Moltke propageerde inderdaad al lang een ‘preventieve’oorlog vanuit strikt militaire redenen. Hij zag duidelijk dat Rusland en Frankrijk zich tot oorlog opmaakten en hij schatte in dat zij daar omstreeks 1917 gereed voor zouden zijn en dat Duitsland dan geen schijn van kans meer zou hebben. En zijn mening werd gretig gedeeld door Franse-Russische en ook Britse politici en militairen. Dus het is begrijpelijk dat Von Moltke daar voor waarschuwde maar het is u vast wel bekend dat de Duitse keizer en Bethmann Hollweg zich daar steeds manifest tegen hebben gekeerd.

6: U noemt de Fischer theorie.

Reactie: Zij hoofd argument, dat er sprake is geweest van continuïteit in de Duitse politiek en oorlogsplannen, is inmiddels achterhaald en de discussie over zijn Griff nach der Weltmacht is onder historici nog steeds gaande. Het heeft op dit moment denk ik weinig zin daar op in te gaan.
Dat de Duitse militaire top plannen heeft gemaakt voor geval van oorlog is duidelijk. Die plannen waren er overigens in Frankrijk ook (o.a plan XVII), en in Rusland en ook in Engeland (zie militaire afspraken in 1904 met Frankrijk waarbij de mobilisatiemaatregelen van beide landen, het spoorwegschema, de landingsplaatsen voor de Britse divisies en zelfs de rustplaatsen nauwkeurig werden vastgelegd en geoefend)
De Britse min.van Buitenlandse Zaken Grey en zijn M.P. Asquith legden de militairen ook niets, maar dan ook niets, in de weg, neen zij moedigden die plannen juist aan, erger nog, zij namen het initiatief daartoe!
En wat te denken van de Frans-Russische militaire conventie van 1894 waarin in artikel 3 al werd vastgelegd dat het hoofddoel was; de vernietiging van de Duitse
legers! (bron: Draft and approval of military Convention drawn up by France and Russia in August 1892, 15/27 December 1893 en; Congressional Records, notulen 1913 vergadering chefs van staven van Frankrijk en Rusland” Die luidde:

“De twee Chefs van Staven bevestigen de afspraken van de vorige vergaderingen van 1911 en 1912 waarin volledige overeenstemming werd bereikt m.b.t. de gezamenlijke doelstelling n.l. de vernietiging van de Duitse legers”.

7: U stelt dan voorts dat volgens Geiss, de Duitse min.van oorlog en de hoogste legerleiding tussen 27 en 31 juli stonden te popelen en gewacht werd op een politiek “groen” licht.

Reactie: Wat Geiss dan weer verzuimt te vermelden is een memorandum van Moltke van 28 juli 1914 waarin hij stelt dat :

“only a miracle could prevent at the eleventh hour a war which will annihilate the civilization of almost the whole of Europe for decades to come”. (bron: Deutsche Dok. Vol.2,p.349)

Dat duidt toch niet op een popelen een oorlog te beginnen ook al is het juist dat hij die wel propageerde met als reden dat hij vreesde voor het voortbestaan van Duitsland als de Russen in 1917 hun modernisatieprogramma gereed zouden hebben en in Frankrijk de inmiddels uitgeroepen 3 jarige dienstplicht resultaat zou gaan afwerpen.

8: Voorts nog uw visie over de betrouwbaarheid van documenten:
Een ‘politicologische’ analyse zou aantonen dat al die telegramman etc zouden proberen anderen iets te laten denken, bedoelingen te maskeren, te paaien, op te zetten en te intrigeren.

Reactie: U heeft gelijk maar ook weer niet helemaal.
Inderdaad zijn er in de z.g “kleurboeken” documenten en telegrammen opgenomen die duidelijk voornoemde bedoelingen hadden. Zo zijn er in het Russische oranjeboek veel van dit soort telegrammen opgenomen maar in “falsifications”door C. Von Romberg, uitgegeven New York 1923 door B.W.Huebsch,zijn die genadeloos naar voren gebracht met alle falsificaties duidelijk ten toon gespreid. Ook Fay e.a hebben dit soort documenten nu wel ontmaskerd en veel is er op dat gebied niet meer over. Wat over is gebleven is echter behoorlijk betrouwbaar maar wel is het nodig dat men ook op de hoogte is van de achtergronden en van de historische context van de gebeurtenissen waarin dit alles zich afspeelt en aan die kennis ontbreekt het nogal eens en dan liggen verkeerde interpretaties voor de hand.
Ik ben het dus met u eens dat het derhalve een combinatie moet zijn van wat er werkelijk is gebeurd in handelingsniveau en wat niet. Maar om nu zo maar te stellen dat alle gepubliceerde documenten onbetrouwbaar zijn gaat me toch weer te ver.
Daarom moeten de door u geproduceerde citaten van Geiss dan ook in dat licht worden gezien.Dan wordt wat hierin wordt gemeld ineens veel begrijpelijker.

9: Tenslotte dan nog uw vraag of je schuld draagt aan een oorlog als je je bondgenoot daartoe hebt aangezet en hem onvoorwaardelijke steun heb toegezegd.

Reactie: Dat is een m.i. toch een wat te gemakkelijke veronderstelling want er waren veel meer ‘blanco cheques”waarin de bondgenoten elkaar steun beloofden. Zo beloofde Rusland vóór de oorlog steun aan Servië, Frankrijk beloofde onvoorwaardelijke steun aan Rusland en Engeland deed dat al in 1904 aan Frankrijk
Ook dient men dan na te gaan wat het motief tot die steun is geweest. Duitsland was van mening dat haar bestaan op het spel stond en goed beschouwd had ze daar wel reden voor. Frankrijk dacht dat ze, door Rusland steun te beloven, haar oude ideaal, het terugkrijgen van Elzas Lotharingen, kon waarmaken. Engeland zag een kans om, door Frankrijk steun te beloven, van een gevaarlijk wordende commerciële concurrent af te komen enz. Het is dus maar aan welke kant men staat en hoe men bepaalde situaties wil interpreteren.

Wel, dat was het weer! Dank voor uw interessante reactie en gaarne tot de volgende uitwisseling van gedachten.
_________________
J.H.J.Andriessen

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:52
Bericht: #8
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Hans Andriessen :

Op 29 januari schreef de heer Riemersma:
Een (korte) reactie bij wijze van dupliek aan de heer Andriessen, zal ik over enkele dagen geven.
Vast dank voor de repliek, heer Andriessen.

Het is nu 25 maart en ik kijk met grote belangstelling uit naar de toegezegde reactie.
Vriendelijke groet=

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:52
Bericht: #9
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Peter Riemersma :

U hebt volkomen gelijk. Ik heb me laten afleiden.
Mijn dupliek komt halverwege de week.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
22-08-2012, 17:52
Bericht: #10
RE: Keizer Wilhelm II
Oorspronkelijk geplaatst door Peter Riemersma :

Een dupliek moet geen herhaling van het voorafgaande worden en is daarom noodzakelijk kort.

Dank voor uw reactie. Ik ervaar het als een eer van gedachten te wisselen met u als inspiratiebron voor vele niet-historici om de eerste wereldoorlog als een belangrijk hoofdstuk (moderner: luik) in de wereldgeschiedenis te bestuderen en zich een mening te vormen over belangrijke kwesties in de duiding van de reikwijdte van deze uiteindelijk mondiale oorlog.

Ad 1 Is er ook nog iets positiefs over Wilhelm te zeggen; dat hebt u willen nagaan in uw boek over de laatste Duitse keizer.
Ik heb dat boek gelezen en het lijkt me eine Untertreibung. U maakt de indruk moeilijk iets kritisch over Wilhelm te kunnen velen. Een boek over Nicolaas die er nog veel slechter van afkomt, hoeven we van u toch niet te verwachten? U hebt met Wilhelm een geheimzinnige band, vermoed ik.
Anderzijds heb ik daar toch geen vreselijk negatief beeld van Wilhelm tegenover gezet? Althans van zijn persoonlijkheid. Het ontbreken van voldoende ontwikkelde competenties doen hem, die zijn waardigheid niet verwierf maar eenvoudig erfde, de das om.
In één zin, bij wijze van samenvatting: een belangrijke man wiens springerige geest en weinig coherente optreden de Duitse zaak uiteindelijk grote schade heeft berokkend.
Ik sluit evenwel in het geheel niet uit ook ik in zijn gezelschap Wilhelm een onderhoudende, leuke man gevonden zou hebben die over van alles en nog wat een eigenzinnige mening had.
Zoals ik ook niet uitsluit dat veel van zijn onbegrijpelijke gedrag simpel verklaard moet worden uit de onderdanigheid van zijn entourage. Het is lonely at the top. Wie gaf Wilhelm regelmatig feed back?

Ad 2 Een stroom van citaten. Inderdaad, u laat ook de criticasters uitgebreid aan het woord. Mijn punt was dat al die citaten niet zoveel zeggen zonder een betekenisgevende context.
Een Amerikaan met Duitse wortels die in Duitsland gestudeerd dan wel gedoceerd heeft, kan men niet kwalijk nemen welwillend tegenover dat land en zijn politiek te staan. Ik zou ook niet willen suggereren dat het vervolgens ook per definitie oninteressante onzin is wat zo iemand te berde brengt. Maar een opinie is toch maar een woord als je niet weet wie, wanneer en in welke relatie tot het object het gesproken is.

’t Is niet meer dan een indruk en niet de vrucht van een doorwrochte analyse: Duitse wetenschappers waren destijds meer geneigd de verdediging te voeren voor de natie waarvan zij deel uitmaakten dan Engelsen en Fransen. Ik ben altijd weer verbaasd welke positie grote wetenschappelijke namen als bijvoorbeeld Max Weber, nog altijd een must voor iedere sociale wetenschapper in binnen- en buitenland, innamen ten aanzien van de Duitse oorlogsinspanning. Ik las in een commentaar dat het ongewoon hartstochtelijke nationalisme in Duitsland van rechtsgeleerden, sociologen en theologen in schrille tegenstelling stond tot hun beheerste wetenschappelijke discipline, en dan ook metafysich van aard was.
In Engeland daarentegen werd des te heviger gediscussieerd nota bene ín het kabinet en het parlement maar eens te meer in de kranten en in de koffiehuizen. Geeft een beeld van compleet andere loyaliteiten dan in Duitsland.
Ik wil maar zeggen dat de betekenis van de bedoelde citaten niet te vinden is als we onze momentane tijdsbeeld en ons 21ste eeuwse interpretatiepatroon als referentiekader gebruiken.
Loyaliteit aan de groep, de klasse, de kaste, de natie waartoe iemand behoorde, verhindert ons de inhoud van die citaten als objectieve gegevens te mogen gebruiken ten faveure van welk standpunt dan ook.

Overigens was Max Weber naar aanleiding van Wilhelms opstelling vóór en in de oorlog zeer gekant tegen de vooraanstaande rol die het keizerschap in de Duitse organieke wetten had. Wilhelm had wat hem betreft het failliet bewezen van een erfelijk leiderschap.

Ik blijf erbij dat uw citaten te zeer onbemiddeld door historische annotatie door uw boek lopen.

Ad 3 Ik heb de foutieve naamspelling van Gerard verbeterd. Dank; ik maak niet graag dat soort vergisingen. Zijn boeken staan nota bene bij mij in de kast.
Ja buitenstaander of niet, ik bedoelde dat deze Amerikaanse ambassadeur zich liet verrassen, zoals dat tegenwoordig heet, door de persoonlijkheid van Wilhelm en hem zo goed als dat kan onbevooroordeeld tegemoet trad. Ik zou zeggen dat hij achteraf de keizer ook niet erg au sérieux nam. Dat blijkt toch ook wel uit het door u aangehaalde boek van Viereck. Zoiets als een puppet on a string, meer slachtoffer van de omstandigheden dan dader.

Ad 4 Uw laatste zin was precies wat ik bedoelde. Overigens is mad niet noodzakelijk ‘krankzinnig’. ‘Mad’ heeft de connotatie van dwaas, onaangepast, wereldvreemd. Zoals men van iemand zegt die een onverwachte manoevre uithaalt of een ongebruikelijke opstelling kiest, ook kan zeggen “die vent is gek!”.
Maar ik geef me graag gewonnen, er zijn er die niet gehinderd door kennis van het vakgebied gezegd hebben dat Wilhelm aan een psychiatrische stoornis leed.
Maar ja, wie niet. ’t Gaat toch om de mate waarin.

Ad 5 In aansluiting op het voorgaande, biografen zijn allengs de voorkeur gaan geven aan speculaties over de psychische kwetsbaarheid, onzuivere gedragsmotieven en aan autisme verwante stoornissen van hun ‘onderwerp’ (een vooraanstaande ambtsdrager, bestuurder of politieke leider) boven een controleerbare politieke beoordeling van hun hoofdpersoon op zijn werkelijke daden.
Inderdaad zat ik ook even in dat (soort) vaarwater toen ik in mijn eerdere commentaar veronderstelde dat bij een gedegen benoemingsprocedure Wilhelm vast niet de overtuigde keus van de benoemingscommissie zou zijn geweest.
Hebt u wel eens een functioneringsgesprek ondergaan? En, wat denkt u dat een parlementaire commissie zou concluderen na zo’n gesprek met Wilhelm?

Overigens is het maar een schrale troost (voor de onderdanen) dat hij dat lot vermoedelijk deelt met keizers en koningen waaraan hij dan ook nog geparenteerd was. Poincaré ook in dat rijtje ? Ik zou het niet zo gauw weten. Ik had gedacht dat u vooral Grey zou kandideren.

Ad 6 Ja, toch wel hoor. Niet, bedoel ik: Burgess is geen goede bron. Burgess was dik over de datum toen hij dat boekje schreef. Ik heb het. Indertijd deed het (tijdens mijn studie politieke wetenschappen) dienst als het afschrikwekkende voorbeeld van de Werdegang van een verder tamelijk brave wetenschapper.
Afstand zouden we moeten houden. Altijd en overal. Laat het stof neerdalen. Introspecteer jezelf streng op je anti- en sympathieën. Etc.
Laten we het een brochure noemen, of een pamflet. Eigenlijk is het wel jammer dat er maar weinig van dit soort pamflettige boekjes wordt geschreven. Peter Handke in Duitsland. Geert Mak bij ons.
(De huidige blogs zijn toch veel te haastig, weinig bezonnen.)
Over de Eerste Wereldoorlog heb ik in mijn kast wel tien, twaalf van dit soort pamfletten (met slappe kast).
Maar de grootheid die u van hem, Burgess, maakt, is hij ook echt nooit gerweest, hoor. Zoals Dürkheim en Max Weber nog altijd bestudeerd worden, is de erfenis van deze Burgess voorgoed begraven.

En Morel in de gevangenis? Dat vind ik dan ook een schande.

Bij wijze van conclusie, ik meen dat we het over Wilhelm als personage niet eens zo oneens zijn. Ik maak het voor u te zwaar en u voor mij te licht. Ik maak hem voor u te problematisch en u geeft hem voor mij te veel allure.

Van groter belang is wat de werkelijke daden op de cruciale momenten waren en hoe die beoordeeld moeten worden.
Daarover gaat het volgende week, in dupliek op uw commentaar op wat ik de schreef over de krijgslustigheid van keizer Wilhelm II.

Met mijn groet.

Lest we forget !
Alle berichten van deze gebruiker zoeken
Reageren op dit bericht
Reactie plaatsen 


Ga naar locatie:


Gebruikers die deze discussie lezen: 2 gast(en)